Posts tonen met het label Boeken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boeken. Alle posts tonen

donderdag 12 juli 2012

De man zonder ziekte

“Het is niet aan filosofen en sociologen om de wereld opnieuw in te richten. Architecten moeten de gelegenheid krijgen om de wereld vorm te geven...”

Met dit citaat zitten we midden in het thema dat Arnon Grunberg koos voor zijn nieuwste boek De man zonder ziekte. Een roman die draait om de illusie van een veilige en maakbare wereld. De hoofdpersoon is Samarendra Ambani, kortweg Sam. Sam is een in Zwitserland levende architect, met een Indiase achtergrond en hij is het prototype van rationaliteit, beheersbaarheid en conformisme. Emoties lijkt hij nauwelijks te hebben. Hij heeft een preoccupatie met properheid en zijn vriendin Nina is dan ook de meest beschaafde vrouw die Sam ooit heeft ontmoet. “Nina was ook zeer hygiënisch. Voor ze zijn geslachtsdeel in zijn mond nam, veegde ze het af met een vochtig billendoekje”. In schril contrast met de perfecte Nina staat Sams zus Aida die zwaar gehandicapt is. “Eigenlijk is ze nog geen mens, eerder een constructie die niet ten einde is gebouwd is. Ze is een vermoeden van een mens, een bouwput en hij hoopt dat ze nu eindelijk zal worden afgebouwd”.

Op een zeker moment slaat het noodlot toe in Sams keurige leventje. Als hij ingaat op de uitnodiging om een operagebouw in Bagdad te ontwerpen en daartoe afreist naar Irak, blijkt de opdrachtgever overleden en wordt hij gevangengezet en gemarteld omdat men gelooft dat hij een spion is. Een reden voor die verdachtmaking wordt niet gegeven. De krachten die Sams rationele bestaan ondermijnen zijn volstrekt willekeurig. Ze komen uit een duister gebied dat niets met Sams geordende leven te maken heeft.

Desondanks blijft Sam geloven in de kracht van zijn Zwitsers staatsburgerschap. “De Zwitsers hebben geen vijand”. “Ik ben neutraal”. Het is een bezweringsformule die hij eindeloos herhaalt, maar die desondanks niet kan voorkomen dat zijn bewakers over hem heen urineren. Op het moment dat alle hoop op redding vervolgen lijkt, wordt Sam alsnog bevrijd door de Zwitserse ambassade, en de lezer krijgt even ruimte om te hopen op een goed einde. Dat wordt Sam echter niet vergund. De thuiskomst in Zwitserland blijkt slechts een rustpunt voor de apocalyps die nog gaat volgen, want ondanks zijn eerdere traumatische ervaring reist Sam opnieuw af naar het Midden-Oosten. Ditmaal naar Dubai om een bibliotheek annex bunker te bouwen. Sam meent dat hij daar wel veilig zal zijn. Het is een plek waar “geld de meeste problemen kan oplossen, mochten er problemen ontstaan. Eigenlijk net Zwitserland.” De werkelijkheid blijkt anders. Sam wordt opgepakt tijdens een alcoholcontrole en komt opnieuw in de hel van de chaos, de dubbelzinnigheid en de irrationaliteit terecht. Uiteindelijk zal hij ter dood worden veroordeeld en daarna geëxecuteerd.

Wat probeert Grunberg met deze moderne tragedie te vertellen? Gaat hem om de algemene boodschap dat het lot altijd toe kan slaan en dat veiligheid een illusie is? Ten dele wel, maar de boodschap reikt mijns inziens verder. Grunberg heeft niet voor niets een rationele, emotieloze en ‘neutrale’ (lees: moreel onverschillige) schepper (architect) als hoofdpersoon  gekozen. Een man “die zich nooit heeft laten kennen” en die zich alleen wil identificeren met zijn (keurige) Zwitserse en niet met zijn (veelkleurige) Indiase achtergrond. Door deze karakterkeuze gaat met de dood van Sam niet alleen de illusie van veiligheid ten gronde, maar executeert Grunberg feitelijk de menselijke hoogmoed die tot uitdrukking komt in het geloof dat de wereld en de mens maakbaar zijn. Sam meent oprecht dat hij alleen de schoonheid kan dienen zonder vuile handen te maken. Hij gelooft werkelijk dat hij “zonder ziekte” is en voorbij kan leven aan alles wat slecht, lelijk en zonder doel is, of dat hij zulke zaken domweg kan oplossen (met geld, een medische ingreep, een operagebouw).

“De toekomst is aan hen die haar vormgeven” zegt een leermeester van Sam. Maar wie daarbij perfectie als enige richtlijn hanteert, kan weleens diep vallen. Dat Grunberg de naar perfectie strevende Sam het meest laat houden van zijn zwaar gehandicapte en onvolmaakte zus, is wellicht veelzeggend. Liefde is niet gevoelig voor perfectie. Liefde manifesteert zich dwars door alles heen. Als er een greintje hoop in dit verhaal te ontdekken valt, dan is het deze liefde, die als onkruid door het bolwerk van de perfectie heen woekert.

maandag 12 maart 2012

Is dit een mens

Ik heb even getwijfeld of ik wel zou gaan. Een avondvullend gesprek over het boek “Is dit een mens” van holocaust overlever Primo Levi, is niet echt een gezellig uitje. Maar het was de moeite waard om af te reizen naar Literatuur op de zuidas, waar Elsbeth Etty, bijzonder hoogleraar literaire kritiek en Barbara Barend –sportjournalist– samen over Levi’s boek spraken in het kader van het thema: De grenzen voorbij.

In Is dit een mens (1947) doet Levi verslag van zijn gevangenschap in Auschwitz. Hij beschrijft nauwkeurig en indringend het proces van (ont)menselijking dat gepaard gaat met de internering van de Joden en hoe dit tenslotte leidt tot hun –gewetenloze– vernietiging. “Je komt hier alleen maar uit door de Pijp”, vertrouwt een medegevangene Levi toe.

Barend is opgegroeid in een seculiere Joodse familie. Oma’s kant van de familie heeft de oorlog dankzij onderduiken overleefd. Opa’s familie is grotendeels uitgemoord. Barends persoonlijke betrokkenheid bij het thema is de hele avond aangrijpend voelbaar en maakt dat het belang van dit boek niemand kan ontgaan. Wel is het jammer dat er weinig wordt ingegaan op de vraag wat de menselijkheid in de hedendaagse tijd zou kunnen bedreigen. Immers, zo citeert Elsbeth Etty: “De schoot waaruit dit kroop (het fascisme) is nog altijd vruchtbaar.” (Bertolt Brecht)

De pregnantie van dit citaat blijft deze avond liggen, omdat er voornamelijk wordt gesproken over de gruwelen van het verleden. Dat is jammer want de hedendaagse medische technologie maakt een vorm van (eugenetisch) ingrijpen in de mens mogelijk, waar Hitler alleen maar van kon dromen. Aldous Huxley’s Brave New World, waarin de mens ‘gemaakt’ en ‘verbeterd’ wordt, is meer dan ooit binnen handbereik. En daarmee ook het gevaar van 'ontmenselijking'. Want ook pogingen tot het creëren van de perfecte mens vormen een potentiële bedreiging van ieders menselijkheid. Levi's hoofdstuk ‘De zang van Ulysses’ maakt dat op mooie wijze duidelijk.

In een vers van de Goddelijke Komedie vertelt Ulysses aan Dante hoe hij de dood heeft gevonden en waarom hij zich in de hel bevindt. Ulysses blijkt met zijn schip een zuilengrens in zee overschreden te hebben. Deze markering heeft Hercules geplaatst, ten teken dat ‘de mens zich hier niet verder begeve’. Ulysses verleidt zijn aarzelende metgezellen tot grensoverschrijding, met de oproep:

‘Bedenkt uit welk zaad gij gesproten zijt,
niet om als vee te leven schiep men u,
maar om te reiken naar het hoogste en het beste’.

Het avontuur loopt niet goed af. Ulysses en zijn metgezellen worden overspoeld door de zee en het schip vergaat met man en muis.

Barend en Etty spreken over dit vers als een oproep tot behoud van de menselijkheid in de meest erbarmelijke omstandigheden. Alleen al het feit dat Levi Dante in het kamp citeert kan gezien worden als een overwinning van de mens op de dierlijke omstandigheden waarin hij zich bevindt. Maar door enkel op deze wijze naar het vers te kijken, wordt voorbij gegaan aan het feit dat Ulysses' streven naar het hoogste en het beste – een drang die hem aanzet een grens te negeren die door een God is aangebracht- hetzelfde streven is dat de Nazi's aanspoorde tot het begaan van hun gruweldaden. Ideaalbeelden van 'het hoogste en het beste', van een übermensch en een zuiver Arisch ras, werden als rechtvaardiging gebruikt om  al wat het ideaalbeeld dreigde aan te tasten, te vernietigen of te ontmenselijken.

Het is voor de hand liggend om in het spreken over de holocaust vooral in te gaan op de vernietigingsdrang, en de barbaarsheid waartoe mensen kennelijk in staat zijn. Maar de waarheid is dat de nazi misdaden gevoed werden door hoge idealen en dat die idealen niet zijn uitgestorven. Onze moeite met leed, pijn, imperfectie maakt ons blijvend gevoelig voor een streven weg van het 'typisch menselijke'. En al zal dit hopelijk nooit meer leiden tot de extremiteiten van de nazimisdaden, we dienen wakker te zijn voor elke denkwijze die bepaalde menselijke kenmerken als 'ongewenst' bestempelt. Zelfs als die kenmerken 'medisch' zijn, want ook in dat geval ligt de ontmenselijking waartoe perfectiedrang kan leiden, op de loer. 

Wetenschap en technologie begeven zich voortdurend op de grens van het mogelijke. Daarbij worden grenzen opgerekt en is er altijd een risico aanwezig van grensoverschrijding. Ook op het gebied van de menselijkheid. In dat licht bezien is de bespreking van Primo Levi's boek binnen het thema “De grenzen voorbij”, uiterst actueel.

zaterdag 11 februari 2012

De zin van pijn

Het is winderig op de zuidas in Amsterdam. Binnen bij Grand Cafe Amsterdam Bright City stampen mensen de sneeuw van hun voeten en warmen zich aan hete koffie of thee. Vanmiddag is Anna Enquist te gast bij filosoof Ad Verbrugge, die met haar een gesprek zal hebben over haar nieuwste roman: De verdovers.

Enquist heeft een aantal maanden als 'writer in residence' doorgebracht op de afdeling anesthesiologie van de VU. Haar ervaringen verwerkte ze in de roman: De verdovers. Ze vertelt dat ze voor dat vakgebied gekozen heeft omdat het een mooie tegenstelling vormt met haar eigen vak: de psycho-analyse. Waar de anesthesist pijn bij de patiënt onderdrukt door te verdoven, haalt een psycho-analyticus de pijn van een patiënt juist naar de oppervlakte, in de veronderstelling dat het heilzaam is om pijn te voelen.

Voelen of verdoven, het is een vraagstuk dat mooi past in een tijd waarin pijn lijden, dankzij allerlei geneesmiddelen (inclusief angst en depressieremmers) minder vaak nodig is, maar als gevolg daarvan ook steeds slechter verdragen wordt. Verbrugge vraagt zich af wat de zin van pijn zou kunnen zijn? En wat we kwijtraken als we iedere ervaring van pijn zouden uitbannen? Volgens Enquist heeft pijn geen zin. Pijn IS. Het kan zinvol zijn om pijn te leren verdragen, maar pijn zelf dient geen doel. Het is enkel onlosmakelijk verbonden met het leven. “Elke gehechtheid is een bron van verdriet”, schrijft ze in haar nieuwste boek. Daarmee concluderend dat verdriet de onverbiddelijke keerzijde van vreugde en verbinding is. Wie lief heeft in het leven, ontmoet onontkoombaar ook de pijnlijke kanten daarvan.

Terug in de auto mijmer ik nog wat verder over Verbrugge's vraag naar de zin van pijn en dan met name over de vraag of pijn inderdaad alleen maar de slagschaduw is van geluk of dat het ook een intrinsieke waarde heeft. Ik vraag me af hoe een wereld zonder pijn eruit zou zien en herinner me ineens het boek dat Ilja Leonard Pfeijffer over Second Life -een 'paradijselijke' wereld op het internet- schreef. In die wereld kan je er precies zo uitzien als je verlangt en je kunt er het leven leiden dat je wenst. Pfeijffer begaf zich in de digitale idylle van Second Life, en deed er een heel interessante ontdekking: In second life heerst de verveling.
“Na een tijdje kun je geen waterval meer zien, tenzij hij zwaar vervuild is”, zei Hermes Moon. “Dat de giftige dampen er vanaf slaan. En dat je nare zweren krijgt door ernaar te kijken. Maar alles is zo verdomd idyllisch in Second Life." (Pfeijffer, 2007)
Historica Amanda Kluveld komt tot een zelfde soort conclusie in haar boek Pijn. De laatste zin van dat boek luidt: Zonder pijn vervelen wij ons dood.
“Zonder pijn is er geen moraal, geen moed, geen ideaal, geen vrijheid. Zonder pijn zijn er geen vragen naar zin of betekenis, geen hopen tegen beter weten in.” En ergens anders: “Als lichamelijk lijden niet bestaat krijgen we te maken met de onmogelijkheid om gelukkig te zijn.” (Kluveld, 2007)
Zowel Pfeijfer als Kluveld lijken te concluderen dat pijn ook een intrinsieke betekenis heeft in het leven. Pijn is niet alleen een onontkoombaar feit dat bij het leven hoort, zoals Enquist meent. Het is ook een onmisbaar element met een eigen waarde. Wie pijn uit het leven wil bannen verliest meer dan dat.

Bronnen: 
Anna Enquist: De verdovers
Ilja Leonard Pfeijffer: Second life, verhalen en reportages uit een tweede leven
Amanda Kluveld: Pijn. De terugkeer naar het paradijs en de wens er weer uit te ontsnappen

zaterdag 4 februari 2012

Te vroeg doodgaan

Niemand wil een ander die hem lief is verliezen, of zelf doodgaan en geliefden achterlaten. Deze gevoelens worden vaak tot uiting gebracht in de zinsnede dat iemand “te vroeg is doodgegaan”. Op dit (ervarings)perspectief valt niks af te dingen, maar wel op het idee dat de dood feítelijk ‘te vroeg’, ‘te laat’, of zelfs ‘op tijd’, zou kunnen komen. 

Onlangs las ik Tonio. De requiem roman die A.F.Th. van der Heijden schreef over het verlies van zijn zoon Tonio, die op 21-jarige leeftijd stierf aan de gevolgen van een verkeersongeluk. Voor Van der Heijden is Tonio onmiskenbaar te vroeg overleden. Hij verbindt dat echter niet alleen aan zijn eigen verdriet en gemis, maar ook aan de waarde van Tonio’s leven. Voor hem voelt het alsof Tonio’s vroege dood zijn hele voorafgaande ontwikkelingsgang overbodig heeft gemaakt. Alsof een bloem na alle fasen van groei vlak voor het ontluiken wordt afgeplukt, daarmee de zin van alle voorafgaande fases vernietigend. Van der Heijden lijkt daarmee te veronderstellen dat een leven pas zin of waarde heeft, als het een bepaalde tijdspanne beslaat.

Tot voor kort keerde ik mij vooral instinctief af van het denkbeeld van een te vroege dood, maar in het boekje Windstilte van de ziel (2010) van Joke Hermsen, heb ik een filosofisch concept gevonden dat me helpt mijn  moeite te begrijpen en verwoorden.

Volgens Hermsen bestaan er twee soorten tijd. De tijd die je kan meten: de kloktijd, en de tijd zoals je die ervaart: de innerlijke tijd. Iedereen kent het verschil tussen deze twee tijden. Bijvoorbeeld in de ervaring dat de heenweg van een reis altijd langer duurt dan de terugweg, ook al is de afstand hetzelfde. Of dat een vakantiedag veel meer uren lijkt te bevatten dan een gewone werkdag. Ook kent iedereen wel het gevoel dat iets wat zich recent heeft voorgedaan al een eeuwigheid geleden lijkt, terwijl een ingrijpende ervaring van lang geleden aan kan voelen alsof het gisteren plaats vond.

De kloktijd, zo legt Hermsen uit, is een lineaire tijd, te vergelijken met een liniaal waarop je de streepjes kan aftellen. De kloktijd kent een chronologische afwikkeling van momenten, met een begin en een einde. Hermsen: "De kloktijd is een geabstraheerde tijd die heel praktisch is, maar die niet samenvalt met onze persoonlijke beleving van de tijd. In de innerlijke tijd ervaren we de tijd als ‘duur’. Hij valt niet in meetbare partjes uiteen, maar duurt ononderbroken voort en zorgt ervoor dat de mens nooit "een voltooid feit" is, nooit "af", of definitief bepaalbaar." 
De innerlijke tijd is dus niet onderworpen aan de wetten van de kloktijd, maar lijkt meer op een continu proces van 'in wording zijn'.

De idee dat iemand ‘te vroeg kan doodgaan’ berust op de notie van de kloktijd. Daarin vindt een leven zijn voltooiing als de rit volledig is uitgezeten. Dan pas is het leven ‘af’, of ‘rond’ of ‘klaar’. In de innerlijke tijd echter bestaat geen begin of einde en dus onttrekt deze tijd zich ook aan noties als ‘vroeg of laat’. In de tijd als ‘duur’ bestaat geen voltooiing. Het idee van een te bereiken eindpunt, is vanuit het eeuwigheidsperspectief van de duur een illusoir idee. Evenals de veronderstelling dat het zaad (kindertijd) pas zijn waarde krijgt in de voltooiing van de bloeiende bloem (ouderdom). In de tijd als 'duur' is het zaad even belangrijk als de bloem.

Te vroeg doodgaan bestaat alleen in de werkelijkheid van de kloktijd. Zodra we de tijd bevrijden uit de greep van de meetbaarheid, bevrijden we het moment van sterven uit de greep van onze oordelen. Dan is ieder leven evenveel waard, kort of lang, en bestaat er geen ‘te vroege dood’.

Ik vind dat een heel troostende gedachte.

Beide boeken beveel ik van harte aan:
A.F.Th. van der Heijden - Tonio
Joke Hermsen - Windstilte van de ziel.