maandag 12 maart 2012

Is dit een mens

Ik heb even getwijfeld of ik wel zou gaan. Een avondvullend gesprek over het boek “Is dit een mens” van holocaust overlever Primo Levi, is niet echt een gezellig uitje. Maar het was de moeite waard om af te reizen naar Literatuur op de zuidas, waar Elsbeth Etty, bijzonder hoogleraar literaire kritiek en Barbara Barend –sportjournalist– samen over Levi’s boek spraken in het kader van het thema: De grenzen voorbij.

In Is dit een mens (1947) doet Levi verslag van zijn gevangenschap in Auschwitz. Hij beschrijft nauwkeurig en indringend het proces van (ont)menselijking dat gepaard gaat met de internering van de Joden en hoe dit tenslotte leidt tot hun –gewetenloze– vernietiging. “Je komt hier alleen maar uit door de Pijp”, vertrouwt een medegevangene Levi toe.

Barend is opgegroeid in een seculiere Joodse familie. Oma’s kant van de familie heeft de oorlog dankzij onderduiken overleefd. Opa’s familie is grotendeels uitgemoord. Barends persoonlijke betrokkenheid bij het thema is de hele avond aangrijpend voelbaar en maakt dat het belang van dit boek niemand kan ontgaan. Wel is het jammer dat er weinig wordt ingegaan op de vraag wat de menselijkheid in de hedendaagse tijd zou kunnen bedreigen. Immers, zo citeert Elsbeth Etty: “De schoot waaruit dit kroop (het fascisme) is nog altijd vruchtbaar.” (Bertolt Brecht)

De pregnantie van dit citaat blijft deze avond liggen, omdat er voornamelijk wordt gesproken over de gruwelen van het verleden. Dat is jammer want de hedendaagse medische technologie maakt een vorm van (eugenetisch) ingrijpen in de mens mogelijk, waar Hitler alleen maar van kon dromen. Aldous Huxley’s Brave New World, waarin de mens ‘gemaakt’ en ‘verbeterd’ wordt, is meer dan ooit binnen handbereik. En daarmee ook het gevaar van 'ontmenselijking'. Want ook pogingen tot het creĆ«ren van de perfecte mens vormen een potentiĆ«le bedreiging van ieders menselijkheid. Levi's hoofdstuk ‘De zang van Ulysses’ maakt dat op mooie wijze duidelijk.

In een vers van de Goddelijke Komedie vertelt Ulysses aan Dante hoe hij de dood heeft gevonden en waarom hij zich in de hel bevindt. Ulysses blijkt met zijn schip een zuilengrens in zee overschreden te hebben. Deze markering heeft Hercules geplaatst, ten teken dat ‘de mens zich hier niet verder begeve’. Ulysses verleidt zijn aarzelende metgezellen tot grensoverschrijding, met de oproep:

‘Bedenkt uit welk zaad gij gesproten zijt,
niet om als vee te leven schiep men u,
maar om te reiken naar het hoogste en het beste’.

Het avontuur loopt niet goed af. Ulysses en zijn metgezellen worden overspoeld door de zee en het schip vergaat met man en muis.

Barend en Etty spreken over dit vers als een oproep tot behoud van de menselijkheid in de meest erbarmelijke omstandigheden. Alleen al het feit dat Levi Dante in het kamp citeert kan gezien worden als een overwinning van de mens op de dierlijke omstandigheden waarin hij zich bevindt. Maar door enkel op deze wijze naar het vers te kijken, wordt voorbij gegaan aan het feit dat Ulysses' streven naar het hoogste en het beste – een drang die hem aanzet een grens te negeren die door een God is aangebracht- hetzelfde streven is dat de Nazi's aanspoorde tot het begaan van hun gruweldaden. Ideaalbeelden van 'het hoogste en het beste', van een übermensch en een zuiver Arisch ras, werden als rechtvaardiging gebruikt om  al wat het ideaalbeeld dreigde aan te tasten, te vernietigen of te ontmenselijken.

Het is voor de hand liggend om in het spreken over de holocaust vooral in te gaan op de vernietigingsdrang, en de barbaarsheid waartoe mensen kennelijk in staat zijn. Maar de waarheid is dat de nazi misdaden gevoed werden door hoge idealen en dat die idealen niet zijn uitgestorven. Onze moeite met leed, pijn, imperfectie maakt ons blijvend gevoelig voor een streven weg van het 'typisch menselijke'. En al zal dit hopelijk nooit meer leiden tot de extremiteiten van de nazimisdaden, we dienen wakker te zijn voor elke denkwijze die bepaalde menselijke kenmerken als 'ongewenst' bestempelt. Zelfs als die kenmerken 'medisch' zijn, want ook in dat geval ligt de ontmenselijking waartoe perfectiedrang kan leiden, op de loer. 

Wetenschap en technologie begeven zich voortdurend op de grens van het mogelijke. Daarbij worden grenzen opgerekt en is er altijd een risico aanwezig van grensoverschrijding. Ook op het gebied van de menselijkheid. In dat licht bezien is de bespreking van Primo Levi's boek binnen het thema “De grenzen voorbij”, uiterst actueel.

maandag 5 maart 2012

Veroordeeld tot leven

Je wordt getroffen door een lawine en krijgt een hartstilstand. Je wordt vijftig! minuten lang gereanimeerd en teruggehaald uit de armen van de dood. Dan blijkt uit hersenscans dat de gevolgen van het ingrijpen rampzalig zijn geweest. Je hersenen zijn rampzalig beschadigd. De kans dat je ooit nog wakker wordt is uitermate klein.

In Nederland blijken er een duidelijke richtlijnen te bestaan voor een Post-Anoxisch Coma; een coma ontstaan na reanimatie. Als de patiĆ«nt na 72 uur niet ontwaakt en niet reageert op een aantal uitgevoerde testen, is het vrijwel zeker dat hij niet meer wakker wordt. In Nederland wordt de behandeling dan gestaakt zodat de dood kan intreden. Maar kennelijk is dat in het buitenland anders.[1] Het verlossende bericht van Friso’s overlijden bleef deze twee weken uit, ondanks het feit dat zijn situatie 'de meest gevreesde, slechtste uitkomst is die je kan hebben'.[2]

Op basis van deze gegevens is het irrationeel om nog hoop te hebben op een positieve uitkomst. Toch zijn er mensen die er –op basis van geloof of andere overtuigingen- voor pleiten dit soort comateuze bestaanswijzen voort te laten duren. De ideeĆ«n vanuit Christelijk conservatieve hoek hierover zijn bekend, maar ook vanuit geheel onverwachte hoek, kan dit pleidooi klinken. Victor Lamme, hersenonderzoeker bij de afdeling Psychologie van de Universiteit van Amsterdam en auteur van het boek “De vrije wil bestaat niet” schrijft in een NRC next column een brief aan Friso dat hij blij mag zijn dat hij niet op Nederlands grondgebied is, omdat zijn leven dan hoogstwaarschijnlijk al beĆ«indigd zou zijn. Hij besluit zijn brief met de woorden: “Wat je toestand ook is, hier in het verwende Nederland zal die onmiddellijk als ‘ondraaglijk’, ‘mensonterend’ of ‘zinloos medisch handelen’ worden bestempeld. Gelukkig kent je moeder haar pappenheimers, en houdt ze je buiten de landsgrenzen. Ze heeft groot gelijk.”

Welk lijden volgens Lamme wĆ©l in aanmerking komt voor de begrippen ‘ondraaglijk’, ‘mensonterend’ en ‘zinloos medisch handelen’ als zelfs een diep coma daar volgens hem niet onder valt, blijft vooralsnog een raadsel, maar ook de voorbeelden die hij gebruikt om zijn uitspraak “Lieve Friso, er is dus altijd hoop”, kracht bij te zetten roepen bevreemding op. Lamme refereert aan hersenonderzoek bij patienten in coma vigil[3] waarbij door middel van hersenscans te zien zouden zijn dat zij 'ja' of 'nee' kunnen antwoorden op vragen. Wat daar hoopvol aan is blijft onduidelijk. Immers, mocht er uit deze scans al afgeleid kunnen worden dat het om aktief gestuurd bewustzijn gaat, dan moet het een volkomen ramp zijn om zo te leven. Want let wel het oplichten van bepaalde hersengebieden in een scan, valt moeilijk te rijmen met het begrip ‘communiceren’. We zien elektronen vuren. Niet meer en niet minder. Het tweede onderzoek betreft de levenskwaliteit van mensen met het ‘locked-in’ syndroom. Zij zijn volledig bewust, maar kunnen alleen communiceren door middel van het knipperen met de ogen. Deze mensen geven zichzelf een zeven waar het hun kwaliteit van leven betreft. Fantastisch! Maar het heeft weinig met mensen in een diep coma van doen. Deze mensen zijn immers niet ‘bij kennis’ en ze zijn ook niet tot communicatie in staat. Welke hoop zij dus aan die ‘zeven’ van anderen moeten ontleden blijft in het ongewisse hangen.

Lamme’s oordeel over een verwend Nederland is te onderschrijven voor wat betreft de recente pleidooien voor oprekking van de euthanasiewet. Nederlanders lijken inderdaad steeds sneller negatief te oordelen over elk leven waar een rafelrandje aan hangt. Maar in het geval van mensen in een onomkeerbaar coma betekent ‘niet oordelen’, dat zij verplicht moeten doorleven zolang de techniek hen voortstuwt. Zij zijn letterlijk veroordeeld tot leven. Die gedachte, dat er mensen bestaan aan wie door medisch ingrijpen het stervensmoment is ontnomen, en die daarna gedwongen vegetatief moeten voortleven door toedoen van diezelfde medische macht, is ondraaglijk. Dat in Nederland een behnadelteam -ook zonder familiaire toestemming[4]- een niet zinvolle behandeling mag beĆ«indigen, is volkomen terecht. Sterker, iemand na een mislukte reanimatie teruggeven aan de dood waaraan je hem onttrokken hebt, is een daad van verantwoordelijkheid. 


[1] Bron anoxisch coma: Volkskrant 18 febr: Prins wordt in coma gehouden
[2] aldus Rik Gerritsen, intensivist van het Medisch Centrum Leeuwarden, voor de camera’s van RTL
[3] Een ‘coma vigil’, ook wel ‘waak-coma’, ‘aanhoudend vegetatieve toestand of ook wel ’apallisch syndroom’ genoemd ontstaat na een gewoon coma. De patiĆ«nt lijkt te ontwaken, maar helaas is dit niet zo want hoewel de ogen geopend zijn ontbreekt er enig bewustzijn ten aanzien van zichzelf of van de buitenwereld: bron: leerwiki
[4] Iets wat overigens zelden schijnt te gebeuren. De nabestaanden zijn het meestal met het besluit eens.
 Bron 'arts mag zonder toestemming de behandeling beeindigen: Next checkt: ‘Wie in Nederland na 24uur in coma niet reageert wordt opgegeven’  

maandag 27 februari 2012

Meer Mens

Deze column is geschreven voor Leefwijzer, de site van de chronisch zieken-en gehandicaptenraad

Mijn vorige column (griezelen) wijdde ik aan een interview over de tentoonstelling Enge Dingen-Het aangetaste Lichaam. Gastconversator Adriaan van Dis heeft dit rariteitenkabinet van allerhande medische afwijkingen, samengesteld. De collectie bestaat uit oude medische atlassen met prachtige tekeningen van vreselijke ziekten, wasmodellen van lichamen die gruwelijk misvormd zijn, en foto's van oorlogsverwondingen.

Inmiddels heb ik een bezoek aan de tentoonstelling gebracht. Een indringend bezoek, dat begon met de meest spectaculaire rolstoel-entree van mijn leven. De rolstoellift - door het personeel liefkozend aangeduid als 'invalidenheffer'- is een stalen plaat, buiten in de stoep buiten verzonken. Na er met de rolstoel opgereden te zijn, komen er uit de straat manshoge glazen platen omhoog rijzen, waarna de lift vervolgens diep in de grond wegzakt, tot op souterrain nivo. Het geeft me het gevoel levend begraven te worden, hetgeen aardig bijdraagt aan de Enge Dingen-stemming.

Bij binnenkomst in de museumzaal word ik verrast door de bijzondere wijze waarop deze tentoonstelling is vormgegeven. Alle vitrine-en toonkasten zijn gehuld in gordijnen of in doeken met stoffen kleppen, die je moet openen alvorens je iets kunt zien. Dat levert constant het gevoel op dat je iets doet wat niet mag. Kijken wordt gluren. Zien wordt zonde.
Hoogtepunt van de tentoonstelling is een kermiscarrousel met toonkasten erin. Om de kasten draaien witte lampenkampen. Soms zit er een opening in de kap, waardoor je snel even naar binnen kunt loeren, voordat de kap het zicht weer belet. Op de achtergrond speelt ouderwetse kermismuziek, hetgeen bijdraagt aan de realisatie dat mensen met gebreken inderdaad ooit als kermisattractie tentoon werden gesteld.

Nieuw was de informatie dat dit soort kermissen ook werden gebruikt als 'voorlichtingscampagne'. Door de verminkingen te tonen die het gevolg konden zijn van een besmetting met seksueel overdraagbare aandoeningen als syfilis, hoopte men een verandering in de leefwijze van mensen aan te brengen. Zo bezien waren dat soort kermissen van toen, de voorlopers van de SIRE of postbus 51 spotjes van nu.

Trekkend van kast naar kast, trachtend een glimp op te vangen van ziektes met tot de verbeelding sprekende namen als Elephantiasis, of oog in oog met de verminkingen die in een oorlog worden aangericht, word ik bevangen door het gevoel dat de gekozen tentoonstellingsvorm een exacte uitdrukking is van de wijze waarop de mens zich verhoudt tot het afwijkende: het trekt ons aan, maar het stoot ons ook af. We willen ernaar toe, maar we wenden ons er ook vanaf. Het abnormale is aantrekkelijk en afstotend tegelijkertijd.

In een kleine filmzaal kan je nog kijken naar de registratie van een bezoek dat Adriaan van Dis brengt aan een verzamelaar van medische curiositeiten. Ik kijk vooral naar van Dis. Naar zijn fascinatie en heilige huiver. Naar de wijze waarop hij soms oprecht is aangedaan. Ik herken die aangedaanheid in mijzelf. Wie de verwoesting die het lichaam kan treffen aanschouwt, ontkomt niet aan het besef van de kwetsbaarheid van de mens. Gek genoeg maakt die constatering me niet boos of opstandig. Eerder voel ik hoe ik door dit museumbezoek een beetje meer mens ben geworden. 

Ingepakte vitrinekasten

zondag 19 februari 2012

De medische blik

Uitzicht vanaf een balkon-Caillebotte
Een korte discussie op Twitter trok deze week mijn aandacht. 

Ghislaine van Tiel, medisch ethicus aan het UMC Utrecht tweet: Worden wij steeds zieker of bedenkt de farmaceutische industrie dat? 
Henk Jan Out, Hoogleraar farmaceutische geneeskunde bij het Radboud antwoordt: “Ziektes worden niet bedacht door de industrie” en “bij ziekte "promotie" spelen vooral de media een rol (riabremereffect).”

Henk Jan Out verwijst naar een blog van zijn hand waarin hij stelt: “Als de farmaceutische industrie inderdaad ziektes zou verzinnen, dan is de industrie dus in staat om artsen en beroepsverenigingen volledig om te tuin te leiden.” Waaraan hij toevoegt dat dit ook zou gelden voor ethische commissies, voor de De Food and Drug Administration (FDA), en voor patiĆ«nten die zich dan voor niet bestaande ziektes zouden laten behandelen.

Henk Jan Out heeft volkomen gelijk als we het fenomeen van 'verzonnen ziektes' net zo letterlijk zouden nemen als hij in zijn blog doet. Dat zou betekenen dat van Tiel meent dat er farmaceutische commissies bestaan die met de duim in de mond en de pen in de hand pathologische beelden bij elkaar verzinnen. Dat dat niet het geval is snapt iedereen. De farmaceutische industrie is geen 'disease ghost-writer'.

Dat laat echter onverlet dat deze industrie een grote hand heeft in hoe wij kijken naar bepaalde verschijnselen zoals bijvoorbeeld pre-menstruele klachten, overbeweeglijkheid, of het geen zin hebben in seks. Of naar meer psychologische zaken als somberheid en rouw. Deze verschijnselen worden steeds vaker gepathologiseerd en met pillen 'behandeld'. En al zijn ze niet door de farmaceutische industrie verzonnen, zij worden door haar wel degelijk benoemd als 'medische problemen', die een medische behandeling vereisen. De wijze waarop deze beeldvorming -via slimme marketingtrucs- plaatsvindt, is uitgebreid beschreven door onderzoeksjournalist Joop Bouma in zijn boek Slikken. Trudy Dehue beschrijft in haar boek DeDepressie-epidemie ook over de wijze waarop de farmaceutische industrie heeft bijgedragen aan de bestempeling van depressie tot een hersenziekte en dus tot de medicalisering ervan.

Het zou echter onjuist zijn te menen dat alleen de farmaceutische industrie blaam treft. Onze cultuur raakt als geheel steeds meer gevangen in 'de medische blik'. Steeds meer mensen beschouwen zichzelf als een "Brein op pootjes" (vrij naar Dick Swaab) of als het resultaat van een bepaalde genetische aanleg. Een opvatting die makkelijk kan ontaarden in slachtofferschap en ontkenning van de vrije wil (zie ook blog dik of obees?) De zegen van de wetenschap en haar toepassing in de geneeskunde, dreigt tot een vloek te worden als de mens volkomen tot een chemische fabriek of hersenspinsel gereduceerd wordt.

Het schilderij “Uitzicht vanaf een balkon” van de Franse impressionist Gustave Caillebotte (1848-1894) kan illustreren hoe 'de medische blik' werkt. De titel is misleidend want het werk draait juist om dat wat wij niet kunnen zien, om dat wat ons het zicht ontneemt. Het bijzondere van dit werk is dat het centraal stelt wat wij ons normaliter niet bewust zijn: ons denkraam. Het raster waardoor wij naar de wereld kijken, door Caillebotte verbeeld als de balustrade rond het balkon. Ik stel mij voor dat de heersende medische denkwijze te vergelijken is met deze balustrade: het bepaalt ons zicht op een heel specifieke manier en belet ons daardoor ook een frisse blik op mogelijk andere oorzaken van onwelbevinden, of op andere oplossingen daarvoor.

In de meest extreme variant (Wij zijn ons brein) is het medische model geen raster meer waardoor men naar de mens kijkt; het is de enige waarheid geworden waarnaar alles zich  voegt en van waaruit alles wordt verklaard. De monomane blik werkt enkel zelfbevestigend. In het schilderij wordt dat verbeeld door de koets op straat, die je bijna niet kan zien omdat hij gedeeltelijk samenvalt met de balustrade en en er deel van gaat uitmaken. Zo lijkt de mens geleidelijk steeds meer samen te gaan vallen met de eenzijdige waarheid van de medische blik.

zaterdag 11 februari 2012

De zin van pijn

Het is winderig op de zuidas in Amsterdam. Binnen bij Grand Cafe Amsterdam Bright City stampen mensen de sneeuw van hun voeten en warmen zich aan hete koffie of thee. Vanmiddag is Anna Enquist te gast bij filosoof Ad Verbrugge, die met haar een gesprek zal hebben over haar nieuwste roman: De verdovers.

Enquist heeft een aantal maanden als 'writer in residence' doorgebracht op de afdeling anesthesiologie van de VU. Haar ervaringen verwerkte ze in de roman: De verdovers. Ze vertelt dat ze voor dat vakgebied gekozen heeft omdat het een mooie tegenstelling vormt met haar eigen vak: de psycho-analyse. Waar de anesthesist pijn bij de patiƫnt onderdrukt door te verdoven, haalt een psycho-analyticus de pijn van een patiƫnt juist naar de oppervlakte, in de veronderstelling dat het heilzaam is om pijn te voelen.

Voelen of verdoven, het is een vraagstuk dat mooi past in een tijd waarin pijn lijden, dankzij allerlei geneesmiddelen (inclusief angst en depressieremmers) minder vaak nodig is, maar als gevolg daarvan ook steeds slechter verdragen wordt. Verbrugge vraagt zich af wat de zin van pijn zou kunnen zijn? En wat we kwijtraken als we iedere ervaring van pijn zouden uitbannen? Volgens Enquist heeft pijn geen zin. Pijn IS. Het kan zinvol zijn om pijn te leren verdragen, maar pijn zelf dient geen doel. Het is enkel onlosmakelijk verbonden met het leven. “Elke gehechtheid is een bron van verdriet”, schrijft ze in haar nieuwste boek. Daarmee concluderend dat verdriet de onverbiddelijke keerzijde van vreugde en verbinding is. Wie lief heeft in het leven, ontmoet onontkoombaar ook de pijnlijke kanten daarvan.

Terug in de auto mijmer ik nog wat verder over Verbrugge's vraag naar de zin van pijn en dan met name over de vraag of pijn inderdaad alleen maar de slagschaduw is van geluk of dat het ook een intrinsieke waarde heeft. Ik vraag me af hoe een wereld zonder pijn eruit zou zien en herinner me ineens het boek dat Ilja Leonard Pfeijffer over Second Life -een 'paradijselijke' wereld op het internet- schreef. In die wereld kan je er precies zo uitzien als je verlangt en je kunt er het leven leiden dat je wenst. Pfeijffer begaf zich in de digitale idylle van Second Life, en deed er een heel interessante ontdekking: In second life heerst de verveling.
“Na een tijdje kun je geen waterval meer zien, tenzij hij zwaar vervuild is”, zei Hermes Moon. “Dat de giftige dampen er vanaf slaan. En dat je nare zweren krijgt door ernaar te kijken. Maar alles is zo verdomd idyllisch in Second Life." (Pfeijffer, 2007)
Historica Amanda Kluveld komt tot een zelfde soort conclusie in haar boek Pijn. De laatste zin van dat boek luidt: Zonder pijn vervelen wij ons dood.
“Zonder pijn is er geen moraal, geen moed, geen ideaal, geen vrijheid. Zonder pijn zijn er geen vragen naar zin of betekenis, geen hopen tegen beter weten in.” En ergens anders: “Als lichamelijk lijden niet bestaat krijgen we te maken met de onmogelijkheid om gelukkig te zijn.” (Kluveld, 2007)
Zowel Pfeijfer als Kluveld lijken te concluderen dat pijn ook een intrinsieke betekenis heeft in het leven. Pijn is niet alleen een onontkoombaar feit dat bij het leven hoort, zoals Enquist meent. Het is ook een onmisbaar element met een eigen waarde. Wie pijn uit het leven wil bannen verliest meer dan dat.

Bronnen: 
Anna Enquist: De verdovers
Ilja Leonard Pfeijffer: Second life, verhalen en reportages uit een tweede leven
Amanda Kluveld: Pijn. De terugkeer naar het paradijs en de wens er weer uit te ontsnappen

zaterdag 4 februari 2012

Te vroeg doodgaan

Niemand wil een ander die hem lief is verliezen, of zelf doodgaan en geliefden achterlaten. Deze gevoelens worden vaak tot uiting gebracht in de zinsnede dat iemand “te vroeg is doodgegaan”. Op dit (ervarings)perspectief valt niks af te dingen, maar wel op het idee dat de dood feĆ­telijk ‘te vroeg’, ‘te laat’, of zelfs ‘op tijd’, zou kunnen komen. 

Onlangs las ik Tonio. De requiem roman die A.F.Th. van der Heijden schreef over het verlies van zijn zoon Tonio, die op 21-jarige leeftijd stierf aan de gevolgen van een verkeersongeluk. Voor Van der Heijden is Tonio onmiskenbaar te vroeg overleden. Hij verbindt dat echter niet alleen aan zijn eigen verdriet en gemis, maar ook aan de waarde van Tonio’s leven. Voor hem voelt het alsof Tonio’s vroege dood zijn hele voorafgaande ontwikkelingsgang overbodig heeft gemaakt. Alsof een bloem na alle fasen van groei vlak voor het ontluiken wordt afgeplukt, daarmee de zin van alle voorafgaande fases vernietigend. Van der Heijden lijkt daarmee te veronderstellen dat een leven pas zin of waarde heeft, als het een bepaalde tijdspanne beslaat.

Tot voor kort keerde ik mij vooral instinctief af van het denkbeeld van een te vroege dood, maar in het boekje Windstilte van de ziel (2010) van Joke Hermsen, heb ik een filosofisch concept gevonden dat me helpt mijn  moeite te begrijpen en verwoorden.

Volgens Hermsen bestaan er twee soorten tijd. De tijd die je kan meten: de kloktijd, en de tijd zoals je die ervaart: de innerlijke tijd. Iedereen kent het verschil tussen deze twee tijden. Bijvoorbeeld in de ervaring dat de heenweg van een reis altijd langer duurt dan de terugweg, ook al is de afstand hetzelfde. Of dat een vakantiedag veel meer uren lijkt te bevatten dan een gewone werkdag. Ook kent iedereen wel het gevoel dat iets wat zich recent heeft voorgedaan al een eeuwigheid geleden lijkt, terwijl een ingrijpende ervaring van lang geleden aan kan voelen alsof het gisteren plaats vond.

De kloktijd, zo legt Hermsen uit, is een lineaire tijd, te vergelijken met een liniaal waarop je de streepjes kan aftellen. De kloktijd kent een chronologische afwikkeling van momenten, met een begin en een einde. Hermsen: "De kloktijd is een geabstraheerde tijd die heel praktisch is, maar die niet samenvalt met onze persoonlijke beleving van de tijd. In de innerlijke tijd ervaren we de tijd als ‘duur’. Hij valt niet in meetbare partjes uiteen, maar duurt ononderbroken voort en zorgt ervoor dat de mens nooit "een voltooid feit" is, nooit "af", of definitief bepaalbaar." 
De innerlijke tijd is dus niet onderworpen aan de wetten van de kloktijd, maar lijkt meer op een continu proces van 'in wording zijn'.

De idee dat iemand ‘te vroeg kan doodgaan’ berust op de notie van de kloktijd. Daarin vindt een leven zijn voltooiing als de rit volledig is uitgezeten. Dan pas is het leven ‘af’, of ‘rond’ of ‘klaar’. In de innerlijke tijd echter bestaat geen begin of einde en dus onttrekt deze tijd zich ook aan noties als ‘vroeg of laat’. In de tijd als ‘duur’ bestaat geen voltooiing. Het idee van een te bereiken eindpunt, is vanuit het eeuwigheidsperspectief van de duur een illusoir idee. Evenals de veronderstelling dat het zaad (kindertijd) pas zijn waarde krijgt in de voltooiing van de bloeiende bloem (ouderdom). In de tijd als 'duur' is het zaad even belangrijk als de bloem.

Te vroeg doodgaan bestaat alleen in de werkelijkheid van de kloktijd. Zodra we de tijd bevrijden uit de greep van de meetbaarheid, bevrijden we het moment van sterven uit de greep van onze oordelen. Dan is ieder leven evenveel waard, kort of lang, en bestaat er geen ‘te vroege dood’.

Ik vind dat een heel troostende gedachte.

Beide boeken beveel ik van harte aan:
A.F.Th. van der Heijden - Tonio
Joke Hermsen - Windstilte van de ziel.