vrijdag 27 januari 2012

Vaardige handen

Na afloop van het toneelstuk kijken man en ik elkaar aan. Ik met een betraand gezicht en diep geroerd. Hij totaal onaangedaan. “Vond je het niet prachtig”, vraag ik hees. “Ik vrees van niet”, zegt hij.

Toneelgroep Amsterdam heeft een film van Ingmar Bergman tot toneelstuk bewerkt. Het resultaat ‘Kreten en Gefluister. Op sterven na dood’, was in december te zien in de stadsschouwburg in Amsterdam. Het verhaal draait om kunstenares Agnes, die in aanwezigheid van haar twee zussen en de verpleegkundige Anna, haar laatste uren op aarde doormaakt. Het stuk is een mengeling van theater, performance en videokunst. Het dendert zogezegd bij je naar binnen.

Het is niet het plot wat dit stuk tot een uniek werk maakt. Ik vrees dat dat de laag is waarop mijn man is blijven steken. Eerder zijn het de telkens terugkerende handelingen die aan het zieke en later dode lichaam van Agnes worden verricht, die diep treffen en die een verhaal op zich vormen. 

Het is Anna, de lieftallige verpleegkundige, die de hele voorstelling door in de weer is met de zorg voor Agnes. Beelden van haar vaardige handen blijven nog dagenlang op mijn netvlies achter. Ze maakt het bed op, geeft een wasbeurt, masseert de pijn van het zieke lichaam weg, trekt schone kleren aan, ruimt kots op, aait, wrijft, stelt gerust. Gaandeweg de avond lijken deze handelingen een transformatie te ondergaan. Zij worden van ambacht tot kunst. Dat ligt zowel aan de aandacht waarmee Anna al haar handelingen voltrekt, maar het komt ook door de aandacht waarmee het publiek kijkt naar Anna. In die wisselwerking gebeurt iets, waardoor zelfs het gadeslaan van het opmaken van een bed, ontroert.

De twee zussen van Agnes, die eerst wars lijken van iedere vorm van aanraking, worden door de zorg van Anna, zelf tot zorgen verleid. Even verlaten zij de pre-occupatie met zichzelf en richten zich volledig op hun zus. En Agnes –goddank- láát zich verzorgen. Ze verzet zich niet. En terwijl de twee zussen haar getormenteerde lijf voorzichtig wassen, wordt de schoonheid zichtbaar van het verzorgen en verzorgd worden: de toewijding aan het onwillige vergankelijke lijf, de liefdevolle handen die zachtjes aanraken, de lichamen die zich omhullend voorover buigen. Ineens wordt de liefde, die eerder tussen de zussen onvindbaar was, weer voelbaar.

Hoogtepunt van de voorstelling is de sterfscène. Agnes sterft terwijl zij liters blauwe verf op een metersgroot papier kalkt. Zij vecht met de verf, met het leven, de dood en haar angst. Bergmans sterven is geen romantisch uitje. Het is lijden met een hoofdletter L. Maar daarna volgt de stilte en in die stilte het wassen en afleggen van het lichaam van de dode Agnes. De blauwe verf wordt van het lichaam gewassen. De met blauw besmeurde lakens worden verwisseld. Nieuwe schone kleren worden aangetrokken. Terwijl ik ademloos toekijk realiseer ik me dat de laatste handelingen die aan een dode worden verricht zo intiem zijn, dat zij meestal aan het publieke oog worden onttrokken. Hier, ten volle op het toneel getoond, worden deze handelingen tot een beeld van respect voor een volbracht leven.

Kreten en Gefluister kan opgevat worden als een ode aan de zorg voor een ander. Door te tonen dat het overgeleverd zijn aan andermans handen mooi en goed kan zijn, wordt de angst voor aftakeling en afhankelijkheid verzacht.

Ik geloof niet dat de beelden van deze voorstelling ooit zullen verwaaien. 

Trailer:




vrijdag 20 januari 2012

Dik of obees?

Cees van Gelderen-Maja
 Dit stuk is is op 20 januari 2012 gepubliceerd als podiumstuk in Trouw

De laatste jaren is er een trend gaande om overgewicht te zien als een ziekte. Je bent heden ten dage niet meer dik, je hebt obesitas. Was je als obees eerst zelf verantwoordelijk voor je overgewicht, tegenwoordig ben je het slachtoffer van dikmakende genen en een ongezonde leefomgeving (Podium, 10 januari).

Het hedendaagse denken over overgewicht volgt daarmee naadloos het wetenschappelijke denken over de mens en het menselijk handelen. Biologische en omgevingsfactoren worden in het wetenschappelijk mensbeeld gezien als gedragsbepalend, en eigen verantwoordelijkheid en vrije wil worden afgeschilderd als fictieve zaken. Het deterministisch mensbeeld is daarmee de moderne variant van de oudtestamentische predestinatieleer.

Het gevolg is dat de meer psychologische factoren die een rol spelen bij overgewicht ontkend worden. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien mild en barmhartig, omdat het een verdedigingslinie opwerpt tegen de schuld-en schaamtecultuur die obesitas omringt: dikke mensen lijden vaak onder gevoelens van zelfhaat. De genetische/omgevingsverklaring van obesitas verlicht deze schuldgevoelens, maar de vraag is of in deze benadering het kind niet met het badwater wordt weggegooid. Want met het afzweren van iedere vorm van schuld, wordt de obese mens ook zijn persoonlijke verantwoordelijkheid ontnomen. Hij wordt gereduceerd tot een willoos schepsels zonder keuzevermogen en ontwikkelkracht. Dat is prachtig voor de farmaceutische industrie met haar afslankpillen en voor ziekenhuizen die maagverkleiningsoperaties propaganderen, maar niet voor de obese mens die zonder medische interventies grip op zijn gewicht wil krijgen.

Als er geen tegengas geboden gaat worden aan de idee dat genen en omgevingsfactoren de dienst uitmaken in een mensenleven, vrees ik dat de wetenschap haar eigen mensbeeld in de toekomst bevestigd zal zien: de vrije wil bestaat dan inderdaad niet meer, omdat zij niet langer wordt erkend en beoefend.




zondag 15 januari 2012

Griezelen

Vincent, Levinus (1715) Wondertooneel der natuur

Deze column is geschreven voor Leefwijzer, de site van de chronisch zieken-en gehandicaptenraad

 Puisten, wratten, eczeem, syfilis, misgeboorten, oorlogswonden en andere gebreken. In museum Meermanno in Den Haag kunnen liefhebbers van afwijkingen hun hart ophalen. Adriaan van Dis, de keurige schrijver en estheet pur sang, heeft daar als gastconversator de tentoonstelling Enge Dingen- Het aangetaste lichaam, samengesteld. Het is een waar rariteitenkabinet geworden.

Griezelen bij andermans afwijkingen en daar ook nog van genieten. Het was in de negentiende eeuw heel gewoon. Men ging toen zelfs zo ver dat er niet alleen ‘dode dingen’ maar ook levende mensen werden tentoongesteld. Siamese tweelingen, vrouwen met baarden, reuzen, noem maar op. Voor lilliputters werd zelfs een miniatuurstad gebouwd waarin zij optraden voor bezoekers. De rariteitenkabinetten waren de voorlopers van de kermis van nu.

In de huidige tijd is zoiets niet meer voorstelbaar, maar dat betekent niet er geen fascinatie meer is voor het vreemde. Laatst nog werd ik wel een volle minuut lang aangestaard door drie kinderen die me plotsklaps in het oog kregen. Ze waren al vijf minuten pal onder mijn neus tikkertje aan het spelen, maar opeens, BAF, alle drie tegelijk zagen ze mij ineens echt. In mijn rolstoel en met voor hen niet vertrouwde trekken in het gelaat. Midden in hun spel vielen ze stil. En staarden… Uiteindelijk werd de magie verbroken doordat ik in lachen uitbarstte. Het was ook zo komisch. Die drie bloedserieuze koppies met opengevallen monden. Mijn lachen was voor hen het sein hun spel te hervatten. De betovering was voorbij.

Kinderen wordt hun staren gemakkelijk vergeven. Anders is dat met volwassenen. De fascinatie voor het vreemde en afwijkende is taboe geworden. In een interview met Adriaan van Dis bevraagt Matthijs van Nieuwkerk de geboeidheid van van Dis voor afwijkingen, alsof het zelf een anomalie betreft. Alsof het abnormaal is om het abnormale te willen doorgronden. Het is jammer dat van Dis meebeweegt met die classificatie. Daarmee doet hij zichzelf en de tentoonstelling tekort. Want juist te midden van een maatschappij die alleen het perfecte en het gezonde nastreeft, is het van onschatbare waarde als het imperfecte een prominente plaats krijgt. Juist door het tonen van het imperfecte kan de angst ervoor verdwijnen en plaatsmaken voor andere ervaringen. Van Dis geeft dat als volgt woorden: “De kapotte dingen kijken mij aan. Ze zoeken contact en zeggen: zie toch hoe menselijk het monster is.”[1]

Zelf heb ik meermalen ervaren dat oprechte aandacht voor iets wat in eerste instantie afstoot, een verborgen schoonheid kan onthullen. Een schoonheid die zich ontworstelt aan de esthetiek van de gestylede, rimpel-en fantasieloze fashion normen die van alle mensen gladgestreken eenheidsworsten maakt. Het imperfecte nodigt uit anders te gaan kijken naar normaliteit, gebrek en mens-zijn. Het kan diep ontzag inboezemen voor alle keren dat de natuur probleemloos haar vormen tot stand brengt, maar het brengt ook de veelzijdigheid van de (menselijke) natuur in beeld, die zich niet laat beperken door heersende idealen.

Ik ga zeker naar Den Haag om te griezelen en om met ontzag te kijken naar de wondere veelzijdigheid der natuur! 


De tentoonstelling loopt tot 19 februari 2012.



[1] Citaat is afkomstig van de website van het Meermanno museum.

maandag 9 januari 2012

Zwaartekracht


Op nieuwjaarsdag bezochten wij de Notenkraker van Tsjaikovski uitgevoerd door het Nationaal Ballet. Dochter was opgetut in haar mooiste jurk, met lange handschoenen, zilveren hakschoenen en een zijde tasje voor aan haar pols. Mijn man was in keurig pak en zelfs ik had me voor de gelegenheid ietwat deftig getooid. We zaten op een prachtige plek in het uitverkochte Amsterdamse muziektheater. Toen het zaallicht dempte, het orkest begon te spelen en het doek openviel, klonk er een zacht “oooooh” door de zaal. Witte sneeuwvlokken dansten in het rond. Het decor leek haast driedimensionaal. Een verlicht grachtenpand met een bevroren gracht ervoor en een brug tegen de horizon aangeplakt, alles in negentiende eeuwse sfeer.

Ik dacht altijd dat ik niks met dans had. Maar nu is het me al voor de tweede keer in een half jaar tijd overkomen dat de tranen over mijn wangen stroomden. De eerste keer keek ik naar een film die Wim Wenders heeft gemaakt als eerbetoon aan de duitse choreografe Pina Bausch, die in 2009 is overleden. In een lege serre-achtige ruimte die omringd werd door grasvelden en bos, zag ik een man een dans uitvoeren met bewegingen die de mijne hadden kunnen zijn. Niet letterlijk natuurlijk, maar ik herkende in hem het trekken van de zwaartekracht. De moeite die het kost het lichaam overeind te houden of het te laten doen wat jij wilt. Alles aan dat lichaam was zwaar, log, tegen de verdrukking in tot stand gebracht. De herkenning bracht tranen. Geen tranen van pijn, maar van de vreugde herkend te zijn. En daardoor niet langer alleen in de worsteling met het vege lijf, dat me zoveel vervulling brengt maar soms ook diep gemis en verdriet.

De Notenkraker bracht een tegenovergestelde ervaring. Als hoofdrolspeelster Clara danst met haar bevrijde prins, komen hun beider lichamen juist los van de aarde. Zij worden uitgetild boven zichzelf, alsof de zwaartekracht niet langer vat op hen heeft. Dit loskomen van het lichaam is welhaast een religieus moment. Niet langer geldt de wet van de aarde, hier regeert de geest, het licht, de lucht, de hemel. Dochter van vijf zit ademloos op schoot. Ik meen te voelen dat ook zij ziet wat hier gebeurt. Deze mensen voltrekken een wonder. Ze stijgen tijdens het leven al op uit hun lijf.

Thuisgekomen vraag ik me af waarom deze specifieke dans me zo heftig emotioneerde. En ik kan niet anders dan concluderen dat het een mengsel van verlangen en troost was dat me beving. Verlangen naar het gemak van die lichamen. Van het draaien, het springen, het elkaar naderen en in elkaar opgaan. En troost omdat het me ergens toescheen dat ik een blik in de toekomst wierp. Alsof me getoond werd hoe het ons zal vergaan als we aan het einde van dit leven zijn gekomen en de zwaartekracht zijn grip op ons verliest. Dan gaan we vast zo dansend, zwierend en zwevend naar licht, lucht, hemel.

“Raar dat enkel beweging zo kan ontroeren”, zei mijn keurige man na afloop. Ik kan niet anders dan dat beamen. 

 Trailer van de film Pina en scene uit de Notenkraker: grand pas de deux


zondag 25 december 2011

Kerstgedachte

Charles Poerson - Nativity
Dat lijkt me nou wel mooi. Het jaar afsluiten met een kerstgedachte. Maar dan doet zich natuurlijk onmiddellijk de vraag voor wat iets tot een kerstgedachte maakt. Het meest makkelijk is die vraag wellicht te beantwoorden door te beschrijven wat het in ieder geval NIET is. Kerstmis is –in tegenstelling tot wat de commercie ons wil laten geloven- geen feest van uiterlijkheden. Het gaat bij het vieren van kerst niet om dure kado’s, exorbitant eten of luxe kerstuitjes. Al kunnen al die zaken het kerstfeest prima vergezellen, wie zich alleen daarop richt mist de essentie, want het kerstfeest draait juist niet om uiterlijkheden. Wie kerstmis ook op het innerlijk niveau mee viert, zal juist scherp het verschil gaan ervaren tussen innerlijke en uiterlijke verworvenheden. Tussen de successen van de wereld en de waarheid van het hart.

Kerstmis is het feest van licht, hoop en vrede, maar dan vooral belicht vanuit het innerlijk van de mens. De essentie van de geboorte van het kerstkind draait niet om uiterlijke welvaart in de wereld, maar om innerlijk verworven rijkdommen. In onze moderne maakbare welvaartsstaat is het steeds moeilijker om de verbinding te behouden met het innerlijk licht en de innerlijke hoop en vrede. Alle pijlen zijn juist gericht op het verwerven van successen en oplossingen in de buitenwereld. Moeilijkheden, pijn, beperkingen en verlies worden niet meer innerlijk geslecht. Pillen en en tal van andere medische ingrepen moeten de verlossing brengen.

Dankzij de moderne medische technologie wordt ook daadwerkelijk veel leed voorkomen of opgelost, maar daar is niet alleen iets mee gewonnen. De prijs die betaald moet worden voor vaker medische ingrijpen, is een groeiende afhankelijkheid van medische technologie en een toenemend onvermogen om zelfstandig leed te verduren en verdragen. Het gevolg is dat er steeds meer angst voor pijn en lijden is ontstaan, terwijl er nog nooit eerder in de mensheidsontwikkeling zoveel leed verminderd kon worden. Zo doet zich de wrede paradox voor van welvaart zonder welbehagen. Van steeds meer uiterlijke mogelijkheden die tot steeds minder innerlijke vervulling leiden.

En dan dit feest, in de donkerste maand van het jaar. Een kind wordt geboren in een half vergane stal. Een kind dat licht brengt in de duisternis. Hoe ver staat dit ‘verlossingsbeeld’ af van de moderne maakbaarheid. In het kerstverhaal spreekt men over licht te midden van het duister. Over warmte te midden van kou. Over vrede te midden van wreedheid. Daar waar de moderne wereld vreugde wil zonder pijn, mogelijkheid zonder worsteling, en vervulling zonder onbehagen, daar plaatst het kerstverhaal juist alles naast elkaar en daarmee brengt het waarden voor het voetlicht die ondergesneeuwd dreigen te raken in onze wereld vol mogelijkheden. De waarden van verduren en verdragen, van verzoening en overgave aan het lot en de onvolmaaktheden van het leven, in het vertrouwen dat te midden van het duister het licht geboren wordt.

Ik wens onze moderne wereld meer innerlijk licht toe om alle uiterlijke mogelijkheden bij te lichten en op te luisteren.
En voor al mijn trouwe en sporadische blogbezoekers: Een gezegend kerstfeest en een rijk nieuw jaar!


vrijdag 16 december 2011

De dood leeft

Walter Schels: Life before Death


Afgelopen week bracht ik een bezoek aan de tentoonstelling De dood Leeft in het Tropenmuseum in Amsterdam. De dood wordt er vanuit verschillende culturen en tradities belicht, maar er is ook aandacht voor de verschillende opvattingen die er leven over doodgaan en wat er daarna met ons gebeurt.

Ik heb altijd een trek naar de dood gehad. Niet vanwege levensmoeheid, maar eerder door een fascinatie voor de eindigheid van het leven. Een fascinatie voor die ultieme grens die onverbiddelijk de vraag naar de zin van het bestaan oproept en bewustzijn creëert over wat wezenlijk is in het leven, en wat niet. Ik vertoef in gedachten graag bij mijn eigen dood, omdat het tot een intensivering van mijn dagelijks leven leidt. 

Het Tropenmuseum bood me een paar uur de mogelijkheid te vertoeven bij de dood. Ik heb er prachtige foto’s bekeken uit de serie 'Life before Death' van de fotograaf Walter Schels, die zwart/wit portretten van mensen heeft gemaakt. Vlak voor en vlak na hun overlijden. De foto's worden vergezeld van teksten waarin de gefotografeerde persoon spreekt over zijn eigen leven, zijn angsten, zijn verwachtingen ten aanzien van het leven na de dood. Schels beweert dat dit project is voortgekomen uit de behoefte zijn angst voor de dood te overwinnen. Wie de mooie verstilde doden op de foto's bekijkt en ziet hoeveel rust ze uitstralen, snapt meteen wat hij bedoelt. Hoe kan iets wat zo vredig is, angst aanjagen?

Boeiend is ook dat de tentoonstelling een goed zicht geeft op de heel verschillende wijze waarop culturen omgaan met emoties rond de dood. In sommige tradities moet er veel geweeklaagd worden, omdat tranen de overledene tonen dat hij gemist zal worden. In andere culturen –bijvoorbeeld de Islamitische- verwacht men juist dat nabestaanden hun emoties in toom houden, opdat de overledene anders niet los kan komen van de aarde. Iets soortgelijks  weerspiegelt zich ook in de omgang met bezittingen. Aboriginals vernietigen alle bezittingen van een dode, terwijl westerlingen juist waarde hechten aan erfstukken, die gezien worden als een tastbare herinnering aan een geliefde dode.

De dood roept op tot bespiegeling. Tot prioriteitenstelling. Dat geldt ook voor de kleine doodjes die de grote dood voorafgaan gedurende het hele leven. Elke vorm van verlies, pijn, ongeluk, beperking zet het leven voor even stil, en roept de vraag op naar de betekenis ervan. De dagelijkse vanzelfsprekendheid wordt onderbroken en daardoor kan reflectie plaatsvinden en zo nodig herschikking van je waarden en doelen. Zonder de aanwezigheid van de destructieve, doodse krachten in het bestaan zou alles vlak worden. Zonder memento mori geen carpe diem. Zonder pijn geen verhoogd en geïntensiveerd bewustzijn over het eigen bestaan.

Laatst hoorde ik van iemand die alvast zijn eigen grafkist in huis gehaald had. De eigen dood kreeg zo een duidelijke plek te midden van het volle leven. Zoiets lijkt mij nou ook wel wat. 

De tentoonstelling De Dood Leeft is nog t/m 26 augustus 2012 te bezoeken in de lichthal van het Tropenmuseum

woensdag 7 december 2011

Rolstoelpiet

Het zal je maar gebeuren. Je wordt als rolstoelpiet geboren in het paleis van Sinterklaas. Je hebt je eigen aangepaste kamertje en je eigen passende werkaamheden. Ieder jaar zwaai je vrolijk de stoomboot uit als deze naar Nederland vertrekt. Samen met de kleine pietenkinderen en de bejaarde Pieten die ook thuis blijven, heb je een paar rustige weken en bereid je de verjaardag van Sint vast voor, zodat deze bij thuiskomst feestelijk ontvangen kan worden. Ja, je bent een gelukkige rolstoelpiet.

Tot er plots een kink in de kabel van je gelukkige leven komt als een clubje Nederlanders bedenkt dat het voor de integratie van gehandicapten in Nederland zo goed zou zijn als er ook een rolstoelpiet in de Pietenschare zit. En zodra je dat bericht hoort weet je dat je de pineut bent, want Sinterklaas kan geen ‘nee’ zeggen. Het is echt een beste man maar op het gebied van geven en nemen slaat hij soms wat door.

En zo kan het dus gebeuren dat je een lange reis over zee moet maken. In een onhandige stoomboot waar niks is aangepast en zonder je eigen elektrische rolstoel, want die kan niet mee op de boot. Bij aankomst in Nederland wordt je in een handbewogen rolstoel van het model ziekenfonds uit de jaren nul gezet, en als je daarmee het ergste achter de rug denkt te hebben, moet je ook nog op bezoek bij Diewertje Blok van het Sinterklaasjournaal. En daar blijkt pas echt wat integreren in Nederland allemaal met zich meebrengt. Gewoon je eigen Pietenzelf zijn is niet genoeg. Nee, men heeft een heel verhaal klaarliggen waarin jij de hoofdrol mag spelen. Kort wordt aan je uitgelegd wat er van jou wordt verwacht. Eerst zul je een zielepiet zijn. Een piet die niet gewenst is en die de andere pieten alleen maar als lastig zien. Ze steken een bezem in je wielen opdat je hen niet zal kunnen volgen als ze pakjes gaan bezorgen. En hoezeer je ook tegenwerpt dat het ook lastig is, een rolstoel in combinatie met pietenwerk, men wil er niet van horen. Vervolgens zul je met je rolstoel in het bos in de modder vast komen te zitten. Je verzucht nog dat met een duwrolstoel het bos ingaan ook vragen om moeilijkheden is, maar het blijkt allemaal deel uit te maken van een Groter Plan. Uiteindelijk zal het verhaal zich namelijk zo ontwikkelen dat jij de held wordt. Jij zal de Piet worden die pepernoten geeft aan de allerkleinsten. Diegenen die door de andere pieten (vanwege hun lengte) allemaal over het hoofd gezien worden, en jij zal ook degene zijn die het zoekgeraakte paard van Sinterklaas terugvindt, waardoor pakjesavond in Nederland doorgang zal kunnen krijgen!

Verwachtingsvol kijken ze je aan. Je zult de genialiteit en de positieve beeldvorming die dit alles teweeg zal brengen, nu wel doorzien. En al zou je ze best graag tegemoet willen komen, eigenlijk snap je er niks van. Wat is er zo geniaal aan het eerst treurig afschilderen van iemand, om vervolgens aan te tonen dat hij echt wel deugt en slim is? Dat laatste, daar had je nooit aan getwijfeld. Je was allang content met je zelf. Maar als er zoveel ingewikkelds moet worden uitgehaald om dat ook aan anderen duidelijk te maken, dan word je wel wantrouwig. Misschien ben jij dan toch niet helemaal normaal? Nu ja, het zal wel een cultuurverschilletje zijn dat jij dat niet snapt. Kennelijk vraagt integreren als gehandicapte in Nederland om een heel speciale en ingewikkelde aanpak.

Gelukkig heeft de stoomboot vandaag het paleis weer bereikt. Daar zal alles wel weer vlug vergeten zijn. Nu moet je alleen nog maar hopen dat Sinterklaas volgend jaar bedankt voor de eer. Vooruit geen zorgen voor de dag van morgen. Volgend jaar zie je wel weer.

Bronnen: 
Plaatje Piet: www.jufsanne.com
Gebeurtenissen rond Piet: Sinterklaasjournaal 2011


zondag 27 november 2011

Politiek correct

Het zou een vraag kunnen zijn voor een gezellige zaterdagavond quiz: Wat is de overeenkomst tussen Zwarte Piet en een gehandicapte? Het lijkt wellicht vergezocht om tussen die twee een verband te vermoeden, maar ik ga toch een poging wagen om een overeenkomst aan te tonen.

Wie in de aanloop naar het grote kinderfeest regelmatig de kranten leest, zal het niet ontgaan. Elk jaar opnieuw maakt een fanatiek clubje strijders het fenomeen Zwarte Piet, zwart. Het hele Sinterklaasfeest zou rieken naar kolonialisme en daarmee kwetsend zijn. De oplossing: een meerkleurige Pietenschare voor Sinterklaas.

Aangezien het Sinterklaasfeest in het geheel niet wortelt in ‘s Neerlands koloniale verleden, maar in de Germaanse mythologie en het christendom (waardoor alle beelden dat het Sinterklaasverhaal rijk is eerder opgevat moeten worden als zinnebeelden dan als een vertolking van een historische realiteit) is het pleidooi voor meerkleurigheid onzinnig en doet het bovendien afbreuk aan de ‘beeldentaal’ waarin het Sinterklaasverhaal vertelt wordt. Het zou zijn alsof we de boze stiefmoeder uit het sprookje van sneeuwwitje schrappen. Daarmee zou gelijk het hele verhaal in duigen vallen. Maar los van dit argument, heb ik vooral moeite met de misplaatste politieke correctheid die van het pleidooi uitgaat. Een correctheid die me sterk doet denken aan de wijze waarop soms ook met gehandicapten wordt omgesprongen.

“Fijn”, zei een buurvrouw laatst tegen mij, “dat jij in je blog gewoon schrijft over ‘gehandicapten’. Daar is tegenwoordig zoveel gedoe over.” Ze heeft gelijk. Daar is inderdaad gedoe over. Het is niet meer helder welke woorden nog wel en niet zijn toegestaan in de beschrijving van kreupelen, verlamden, spierzwakken, blinden, en andere baksels. Onze Belgische buren hebben zelfs een taalwijzer gecreëerd voor journalisten. Daar staan alle do’s and don’ts in met betrekking tot het schrijven over ‘mensen met een handicap’. Een zinsnede die de voorkeur geniet boven de aanduiding ‘gehandicapten’, aldus diezelfde taalwijzer.

Begrijp me goed. Ik ben heel blij met elke vorm van bewustzijn over de wijze waarop bepaalde groepen (bijvoorbeeld chronisch zieken of gehandicapten) in woorden of beelden gevangen worden. Veel van mijn eigen schrijfsels en trainingen gaan erover. Ik ben dus helemaal vóór bewustwording op dat vlak. Maar bij zo’n proces behoort ook dat je je bewust wordt wanneer je doorslaat, en al je goede bedoelingen onbedoeld in hun tegendeel gaan verkeren. Op zo’n moment lijkt er sprake te zijn van ‘een wet van omkering’. Wie téveel ijvert voor correctheid, loopt het risico de plank helemaal mis te slaan. Een voorbeeld hiervan is het benadrukken van de gewoonheid van gehandicapten. Iedereen voelt dat zoiets goedbedoeld is, maar de uitwerking is helaas averechts: Het benadrukken van iemands gewoonheid bekrachtigt juist zijn ongewoonheid. Over gewone mensen hoef je immers nooit te zeggen dat ze zo gewoon zijn, die zijn het gewoon. En zo is het ook met die beste Piet. Juist het pleidooi voor meerkleurigheid, maakt zijn zwart-zijn verdacht. Immers, waarom kiezen voor meerkleurig als zwart prima is?

Bewustwording is goed, maar we moeten niet doorslaan. Als we zaken te snel als ‘onderdrukking of discriminatie’ labelen, bereiken we vaak het tegendeel van wat we wensen. Daarom blijf ik maar gewoon ‘gehandicapt’ schrijven. Ik heb niks tegen dat woord. En ik hoop dat er ooit een tegenprotest tijdens de Sinterklaasintocht komt. Liefst van afro’s. Met spandoeken waarop staat: Wat is er mis met zwart?