zaterdag 16 juni 2012

Het Nationale Canta Ballet

Je moet er maar opkomen. Een ballet maken met daarin niet alleen dertig dansers van het nationaal ballet, maar ook vijftig Canta’s – de welbekende 45 kilometer autootjes voor gehandicapten (vaak knalrood, luid brommend en voorbijflitsend met een jaloersmakende snelheid en behendigheid). De Canta stond al centraal in het boek De Benenwagen van Karin Spaink, en nu is er dus ook een waar Canta ballet in de maak. Documentairemaakster Maartje Nevejan heeft het hele wordingsproces gevolgd en er vier uitzendingen van gemaakt onder de naam De Canta danst!

Al een paar weken geleden heb ik kaartjes bemachtigd voor de ballet-uitvoering op 28 juni in de gashouder van het Westerpark in Amsterdam en zojuist heb ik de eerste twee afleveringen bekeken van De Canta danst! Ik moet bekennen, daar was ik wat sceptisch over. Documentaires met gehandicapten hebben al snel de neiging te verworden tot een relaas van trieste gebeurtenissen met een heldhaftige wending. Maar De Canta danst! is van een heel andere klasse. Maartje Nevejan volgt het hele proces met precies die nieuwsgierigheid die het project ook bij mij wakker maakt: wat gaat er gebeuren als je  twee groepen mensen samenbrengt die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. En wat ontstaat er op het toneel als balletdansers en gehandicapten samen het creatieve uitgangspunt vormen van een te maken ballet? Wat voor soort thematiek wordt er dan zichtbaar?

Nevejan interviewt zowel de Cantarijders als de balletdansers en dat alleen al is verrassend. De vermeende verschillen tussen hen lossen op in het luisteren naar de verhalen die zij vertellen over de relatie met hun lichaam. Daaruit blijkt dat beide groepen met dezelfde issues bezig zijn, ook al is het op een ander gebied. Dat is bij nader inzien zo gek niet. Ook dansers zijn immers dagelijks bezig met het verkennen en oprekken van hun lichaamsgrenzen, en ook zij worden daarin - net als mensen die te maken krijgen met fysieke gebreken – onverbiddelijk geconfronteerd met de mogelijkheden en onmogelijkheden daarvan. Er zijn immers altijd grenzen die niet verlegd kunnen worden. Een feit waaronder je kunt bezwijken, waarmee je kunt blijven vechten of wat je langzaam gaat aanvaarden. Voor zowel dansers als Cantarijders is het de uitdaging om te gaan met de onvermijdelijke kwetsbaarheid en breekbaarheid van het lichaam. Dat beide groepen daarnaast blijk geven zich zeer bewust te zijn van de kostbaarheid van het lichaam, lijkt me de directe vrucht daarvan.

In de choreografie, die in oefensessies langzaam tot stand komt, wordt steeds zichtbaarder dat het in de ontmoeting tussen het gehandicaptenautootje, haar bestuurders en de dansers van het nationaal ballet lijkt te draaien om overgave en vertrouwen. De aardige kekke autootjes worden tot potentieel gevaar wanneer er mensen van vlees en bloes tussen gaan dansen. Dat merken de bestuurders van de Canta vooral. Zij voelen hun macht tot kwetsen en breken, en gek genoeg worden daarmee de stereotype rollen van de beheerste danser en de onmachtige gehandicapte volledig omgedraaid. Maar op het moment dat de danser zich aan het autootje overgeeft door zich mee te laten slepen, of door vlak voor de wielen te gaan liggen en vooruit te rollen alsof het autootje hem duwt, worden de posities van machtige en onmachtige volledig overstegen. Dan draait het ineens om overgave aan elkaar en worden de eigen individuele positie en beperking ondergeschikt gemaakt aan het grotere geheel van De Dans.

Er volgen nog twee uitzendingen en dan natuurlijk nog de echte balletvoorstelling, maar wat mij betreft is het project al geslaagd. Niet eerder zag ik– op zo’n ludieke wijze – de transformatie van kwetsbaarheid tot kracht en van angst tot overgave. Dus: kijken die uitzendingen en koop een kaartje! Als dat nog lukt.

Links:
De Canta danst! van Maartje Nevejan op Uitzending Gemist
Kaartjes bestellen voor het Canta Ballet
Blogje van Karin Spaink over haar boek De Benenwagen


vrijdag 8 juni 2012

De grenzen van genezen

Marcel Levi, internist, hoogleraar en voorzitter van de Raad van Bestuur van het AMC stelde afgelopen jaar publiekelijk de vraag hoe lang je als arts moet doorgaan met het behandelen van mensen voor wie er eigenlijk geen uitzicht meer is.

Levi’s standpunt in dit dilemma is controversieel. Volgens hem is het gerechtvaardigd als artsen bepaalde behandelopties niet aan een patiënt voorleggen of aanbieden als zij inschatten dat de nadelen van deze behandeling groter zullen zijn dan de voordelen. In zo’n geval moet de patiënt behoed worden voor nog meer narigheid en moet hij niet belast worden met een keuze die eigenlijk niet reëel is.

Met dit standpunt gaat Levi in tegen de heersende medische ethiek waarin grote waarde wordt gehecht aan het volledig informeren van de patiënt, waarna deze zelf al dan niet toestemming geeft voor een bepaalde behandeling. In medische kringen wordt dit proces aangeduid met de term “informed consent”. En hoe mooi en logisch dit proces ook moge klinken, de praktijk is weerbarstig. Het recht op informatie leidt immers rechtstreeks tot de verplichting een keus te moeten maken. En al kunnen mensen altijd afzien van behandeling, het wordt hen wel een stuk moeilijker gemaakt om hiervoor te kiezen als hen tegelijkertijd 'hoop' in de vorm van een behandeloptie wordt geboden. Te lang doorbehandelen is dan ook een logisch gevolg van de weigering om te erkennen dat de patiënt het stadium van ‘de reële keuze’ voorbij is, en dat hij inmiddels gebaat is bij arts die niet meer inzet op behandelen, maar die bij wil dragen aan de kwaliteit van het leven dat nog rest.

Het idee dat iemand altijd, in elke omstandigheid en ongeacht het soort keuze dat gemaakt moet worden – zelf moeten kunnen kiezen, is een vorm van keuzeterreur. Het stoelt op de veronderstelling dat het hebben van een keuze in principe altijd goed is. Maar er zijn vele situaties denkbaar waarin juist het ontbreken van een keus en het moeten aanvaarden van de naakte feiten, eerlijker en mensvriendelijker kan zijn dan het aanbieden van onmogelijke keuzes onder de noemer van het respecteren van de individuele autonomie.

Stoppen met het aanbieden van behandelopties die meer kwaad dan goed doen, is dan ook niet hetzelfde als de tijd terugdraaien naar het “voor-je-eigen-bestwil-tijdperk”, zoals Lode Wigersma, directeur bij de artsenfederatie KNMG, meent (Blog Artsennet). Het is een erkenning van het feit dat er naast het recht op informatie ook zoiets bestaat als het recht op niet-weten. Kennis kan verrijken maar ook nodeloos belasten, en een arts kan dus ook doorschieten in zijn drang tot informeren. Het is ook niet “paternalistisch” zoals Cees Hertogh, hoogleraar ouderengeneeskunde, meent (Trouw 01/06/12). Eerder is op tijd stoppen met het aanbieden van nog meer behandelopties een erkenning van het feit dat er grenzen zijn aan de mogelijkheid tot genezen. Daarmee blijf je als arts trouw aan je eed om lijden te verlichten en geen schade te doen.

In mythische en epische literatuur is de zoektocht naar de heilige graal een terugkerend motief. De graal staat symbool voor levenskracht en onsterfelijkheid. Hij wordt behoed door ingewijden met grote kennis van zaken en een zuivere inborst. Zij moeten ervoor zorgen dat de graal niet in verkeerde handen valt. Gebeurt dat toch dan wordt wat zegen had kunnen zijn tot vloek. Artsen zijn de moderne hoeders van de medische graal. Als het goed is gebruiken zij hun kennis zo dat deze tot zegen wordt en geen schade toebrengt. De relatie tussen arts en patiënt is daarbij een belangrijker richtlijn dan voorgeschreven procedures. Het principe van informed consent is een groot goed, maar moet niet dwangmatig als heilig huisje worden toegepast. Artsen moeten vooral goed kijken naar elke individuele mens die zij voor zich hebben en het ‘levenswater’ dat zij behoeden slechts aanbieden aan hen die het daadwerkelijk léven zal schenken, niet slechts een uitstel van sterven met onnodig veel leed.  

In Trouw (Letter en Geest, 19 mei 2012) staat een interview met Marcel Levi dat de moeite van het lezen waard is.

maandag 21 mei 2012

Orgaandonatie

Mohammed Ghaly, universitair docent islamitisch recht en ethiek, geeft in Trouw (12 mei) aan hoe hij meent dat de negatieve houding tegenover orgaandonatie vanuit moslimzijde 'constructief' aangepakt moet worden. Opvallend is dat de heer Ghaly er daarbij voetstoots vanuit gaat dat de bezwaren die er leven tegen orgaandonatie per definitie ongegrond zijn en voortkomen uit onwetendheid. In de ogen van de heer Ghaly zal “het zo objectief mogelijk voorleggen van het brede scala aan diverse opvattingen, inclusief de ethische overwegingen daarvan, de islamitische bevolkingsgroep effectief kunnen mobiliseren voor orgaandonatie.” Waarom hij dat denkt blijft in raadselen gehuld, want waarom zou een dergelijke voorlichting niet evengoed kunnen leiden tot een nog bewuster 'nee' tegen donatie?

Orgaandonatie is een gevoelige kwestie en het moge duidelijk zijn dat niemand een ander het lot toewenst van gebrekkige of falende organen. Dat laat echter onverlet dat de wijze waarop  orgaantransplantatie onder de aandacht wordt gebracht, vaak geen schoonheidsprijs verdient. Tegenstanders van donatie of twijfelaars worden maar al te vaak benaderd alsof zij dom en onwetend zijn. Alsof elk werkelijk zinnig denkend en voelend mens natúúrlijk voor orgaandonatie is. Uit zo'n houding spreekt weinig respect voor andere levens-, mens-, en lichaamsopvattingen.

Eenzelfde overtuigd zijn van het eigen gelijk komt tot uiting in de terugkerende roep om een “Ja, tenzij” donorsysteem, waarbij iedereen automatisch donor is, tenzij men aangeeft dat niet te willen zijn. Er zit iets agressiefs in die tendens om andermans organen tot een opeisbaar recht te willen maken. Het tast het primaire recht aan om zelf te beschikken over het je eigen lichaam: niet langer is mijn lichaam vanzelfsprekend van mij, het behoort in eerste instantie toe aan de gemeenschap. Zo'n radicale verschuiving is wat mij betreft niet te rechtvaardigen. Het verkrijgen van meer organen zal via een andere weg moeten verlopen die de vrijheid van zelfbeschikking ongemoeid laat.

In een discussie over donatie past een heel andere houding en toon. Het begrip donatie geeft al aan waar het om gaat: om een schenking, een gift. En afgedwongen of opgelegde giften zijn geen giften. Wie dat uit het oog verliest raakt de essentie van donorschap kwijt en kan daardoor gemakkelijk in de valkuil van dwang of marktstrategieën verzeild raken, waarbij het alleen nog draait om het vullen van een gat in de markt. Dat deze werkelijkheid niets te maken heeft met de leefwereld van burgers moge duidelijk zijn. Organen zijn geen handelswaar en donatie zal altijd een proces blijven dat gekleurd wordt door verschillende emoties en levensopvattingen. Gepast respect tonen voor het feit dat ook aan de keuze geen donor te willen zijn, goede gronden en oprechte gevoelens ten grondslag kunnen liggen, zal ervoor zorgen dat de discussie verschoond blijft van de verdachtmaking dat 'nee-zeggers' eigenlijk niet goed geïnformeerd of onwetend zijn. Of erger: dat zij egoïsten zijn die anderen laten sterven.

Dood ga je aan het falen van organen. Niet aan orgaantekorten, al wordt dit nog zo vaak geïnsinueerd. Het krijgen van een orgaan is een geschenk, geen opeisbaar recht. En de vrijheid om te schenken moet niet worden aangetast door overheidsdwang of marketingstrategieën. Dan en alleen dan kan orgaandonatie voor alle betrokken partijen een zegen zijn.

maandag 14 mei 2012

Als pech geluk blijkt

Sommige dingen lijken onwrikbaar waar. Die bevraag je niet. Zo hanteren wij mensen een zeer strikte indeling tussen wat gelukkig maakt en wat leed veroorzaakt. Ziekte en gezondheid, geboorte en dood, armoede en rijkdom, wij vellen direct een waardeoordeel. Goed of fout. Pech of geluk. Vreugde of verdriet. De wijze waarop wij de wereld waarnemen verloopt langs strakgetrokken lijnen die aanduiden of iets gewenst of ongewenst is. Geluk brengend of leed veroorzakend. Des te verrassender is het dan als je stuit op mensen, verhalen, gedichten of liedjes die deze indeling op zijn kop zetten. Die er iets aan toe willen voegen, het willen nuanceren of verrijken. 

Onder de naam Bardsongs zijn een drietal volksvertellingen verfilmd en uitgezonden door de publieke omroep. “De plasticverzamelaar” verhaalt over een vader en een zoon die in hun levensonderhoud voorzien door in de straten van Rajastan plastic te verzamelen. Ze gebruiken daarvoor een karretje getrokken door een kameel. Op een dag slaat het noodlot toe. De kameel blijkt spoorloos verdwenen. De mensen in de stad betuigen hun deelneming. “Zo spijtig dat deze man zijn kameel kwijt is”. Maar de vader repliceert: ”U weet helemaal niet of ik pech heb”.
Na een aantal weken keert de kameel naar huis terug. Maar hij is niet alleen, hij heeft een vrouwtje bij zich. De mensen feliciteren de man. “Jij hebt veel geluk!” Maar de plasticverzamelaar is niet onder de indruk. “Je kunt niet weten of ik geluk heb”, is zijn antwoord ditmaal.

Als de zoon een tweede karretje bouwt voor de nieuwe kameel en het dier wil inspannen, schopt het beest hem en breekt zijn beide benen. De mensen komen aan de deur om hun deelneming te betuigen. “Wat een ongelooflijke pech voor u en hem”, zeggen ze tegen de vader. Maar de vader antwoordt met een vraag: “waarom heeft u medelijden met mij? Hoe kunt u nou weten dat dit pech is voor mij? Hoe weet u dat zo zeker?”

De mensen weten zich geen raad met de houding van de plasticverzamelaar en hun reacties zijn afkeurend. Maar dan op een dag breekt de oorlog uit. En alle jongemannen moeten naar het front, behalve de zoon van de plasticverzamelaar wiens benen nog niet goed genoeg genezen zijn. Als steeds meer jongemannen op het slagveld omkomen beginnen de mensen de plasticverzamelaar steeds beter te begrijpen...

Deze rijke volksvertelling toont dat we te nauwe opvattingen hebben over wat geluk en wat leed is. Tussen al het zwart en wit kan er ineens een onverwachte kleur opduiken. En wie goed luistert kan een klein giecheltje horen. Dat is het leven zelf. Als het weer is gelukt om aan al onze verwachtingen te ontkomen. 


dinsdag 8 mei 2012

Respect

Met klassieke bierbuik en gemillimeterd haar zit hij aan mijn keukentafel. Binnen vijf minuten is me in plat Utrechts haarfijn uitgelegd dat de Polen alle baantjes inpikken en waarom alle allochtonen het land uit moeten. Even later staat hij hijgend in de tuin mijn nieuwe bestrating erin te beuken. Peuk in de mond en de broek zover gezakt dat de bilspleet zichtbaar is. Als hij moeizaam uit kniezit omhoog komt, grijpt hij steevast kreunend naar zijn rug, en hijst vervolgens zijn broek omhoog. Zijn maten maken daar grappen over. Het klinkt alsof ze die al jaren, dag in, dag uit, maken. De man is 43 maar fysiek al aan het einde van zijn latijn. Ik stel me hem thuis voor op een bruinleren bank met jaren ‘70 bloemetjesbehang en een vrouw die altijd klaagt. Daarom klust hij waarschijnlijk ook zoveel bij in het weekend.

Hij lijkt me weinig empathisch maar ik vergis me. In de twee dagen dat hij hier rondloopt vraagt hij meermalen naar mijn ‘fysieke toestand’ en ‘hoe het zo is gekomen?’ En bij alles wat ik vertel schudt hij meewarig zijn hoofd en verzucht: “Sjonge, jonge, het is toch wat”. Mijn pogingen hem te vertellen dat “het wel meevalt hoor”, en dat ik "ermee geboren ben”, vallen niet in vruchtbare aarde. Het blijft “sjonge, jonge, niet meevallen”. Bij de lunch vraagt hij nog even of het ook “alsmaar erger wordt?”. “Ja, Frans, dat wordt het”. De arme man is zichtbaar aangedaan. Bijna sla ik mijn arm om hem heen om hem te troosten, maar ja, stratenmakers huilen niet.  

Ik neem het hem niet kwalijk hoor, die stoere stratenmaker met week hart. Het is alleen dat de wijze waarop hij mij beziet, me zo vreselijk verbaast. Als ik zijn leven met het mijne vergelijk, voel ik me zo ongelooflijk gezegend. Geen 6-daagse werkweek met fysiek totaal afmattend werk. Geen drank of peuken om het mee vol te houden. En bovenal geen klagende vrouw. Fysiek onbeperkt zijn wordt vreselijk overschat. Ik zou nooit met Frans willen ruilen. Voor geen duizend stratenmakerslijven.

Op het einde van de tweede dag als de straat er mooi in ligt en we gezamenlijk nog even blij staan te zijn met het zwaar bevochten resultaat, vertrouwt hij me toe wat hem het meest heeft beroerd dezer dagen. Mijn man en mijn moeder. Ja, voor die twee heeft hij echt respect. Diep respect. Hij knikt er nadrukkelijk bij. “Het zal toch niet meevallen voor ze, nee, nee”. Zijn maat kijkt me ondertussen ietwat onbehaaglijk aan. Duidelijk verlegen met de situatie. ”Maar Frans”, zeg ik hem. “Ik ben heel leuk hoor!” Hij lijkt mijn opmerking niet te horen of niet te snappen. Zijn maat grinnikt wat voor zich uit, klaar om af te reizen richting Utrecht. Liefst zo snel mogelijk.





maandag 23 april 2012

Gekluisterd

Deze column is geschreven voor Leefwijzer; Community voor mensen met een chronische ziekte of handicap

Steeds weer duikt dat zinnetje op. In artikelen, de krant of op tv. “Gekluisterd aan een rolstoel”. En steeds als ik het hoor of lees zakt de moed me in de schoenen en slaakt mijn rolstoel een diepe zucht. Hoe verkeerd kan een stoel begrepen worden?

Sommige beeldvorming is hardnekkig. Ik weet het. Maar dat juist datgene wat mij mijn vrijheid verschaft steevast wordt omschreven als ‘in de boeien slaand’, blijft onbegrijpelijk. Mijn rolstoel is de poort naar de wereld. Hij maakt mogelijk wat ik op eigen kracht niet meer kan volbrengen. Zonder rolstoel zou ik aan huis gebonden zijn. Veroordeeld tot contact via telefoon en computer. Mijn dochter zou moeten opgroeien zonder moeder die haar ophaalt aan de schoolpoort. Markt, winkels, musea, zouden het zonder mijn bezoek moeten stellen, evenals strand en bos. Ik zou kortom, al mijn bewegingsvrijheid verliezen.

De opvatting dat gehandicapten gekluisterd zouden zijn aan hun rolstoel is vrij middeleeuws. Ik kan me zo voorstellen dat gehandicapt-zijn toendertijd echt geen pretje was. Als je niet kon lopen was je waarschijnlijk veroordeeld tot het slijten van je leven op een harde houten keukenstoel. Dat voelde dan vast heel gekluisterd aan. Maar hallo! We leven in de 21ste eeuw, met hightech rolstoelen. Het vraagt wel heel veel van mijn verbeeldingskracht om dan nog iets aan te kunnen met zo'n begrip als 'gekluisterd'.

Desondanks blijft het beeld van de gekluisterde gehandicapte rondwaren, en dat mist zijn uitwerking niet. Toen ik zelf toe was aan mijn eerste scootmobiel – negentien was ik - was ik er stiekem van overtuigd dat een rolstoel me pas écht gehandicapt zou maken. Zolang ik nog liep, ook al was het strompelend, zou ik niet tot de categorie gehandicapten gaan behoren. Die waan hield stand tot het moment dat ik me realiseerde hoezeer ik mijzelf voor de gek aan het houden was. Ik zat weliswaar niet in een scootmobiel, maar ik kwam ook nergens meer.

De realisatie dat ik feitelijk allang gehandicapt was, zelfs zonder scootmobiel, trok me over de streep en achteraf had ik spijt van al mijn getwijfel. De aanvaarding van een scootmobiel maakte dat al mijn toenmalige handicaps oplosten als sneeuw voor de zon! Zittend kon ik ineens weer van alles! Niks kluisters, boeien, riemen, touwen en al wat een mens kan binden. Niks écht gehandicapt. De komst van mijn scootmobiel maakte dat ik opnieuw onbeperkt kon gaan en staan waar ik wilde. Een ervaring die zich herhaalde met de komst van mijn eerste rolstoel.

Vaak hoor ik bij ouderen of mensen met een beperking eenzelfde moeite met het aanvaarden van een mobiliteitshulpmiddel. Kennelijk blijft de gedachte overheersen dat een leven op wielen beperkter is dan een leven op benen. Zelfs als die benen in hoge mate niet meer voldoen. Zinnetjes als “gekluisterd aan een rolstoel” dragen bij aan het in stand houden van dat niet op de werkelijkheid gestoelde idee. En dat is een slechte zaak.

Het zou dus heel fijn zijn als het gewraakte zinnetje uit onze spreek-en schrijfgewoonten verdwijnt. Met heel veel dank alvast. Ook namens mijn stoel.

dinsdag 17 april 2012

Vervangend lichaam

Twee vervangende lichamen heb ik tot mijn beschikking. Soms zelfs een derde, als dochter van zes in een opwelling van liefde en groot, zich spontaan aanbiedt: “Zal ik je in je jas helpen mama? Kom maar.” En samen worstelen we dan mijn jas aan. Zij blij, ik ontroerd.

De ander twee vervangende lichamen zijn van man en moeder. Met een voorkeur voor moeder omdat zij naadloos op mijn brein aansluit. Bijna alsof ik mijn eigen lichaam aanstuur, zo precies voelt zij aan wat ik wil en hoe ik het wil. Soms heb ik het nog niet gedacht of ze heeft het al gedaan. Bij man is dat wat stroever. Strakke truitjes dusdanig om mijn lijf heenwringen dat ik toonbaar ben, is een tour de force, soms gepaard gaand met ergernis, soms met hilarische lachbuien. Het druppelen van mijn ogen mondt vaak uit in het wegvegen van rivieren die langs mijn neus druipen. En elke handeling die ik zelf niet kan, maar die wel uitgevoerd moet worden, moet geverbaliseerd. Tussen ons niet die magische aanvoeling die ik als dochter wel met mijn moeder heb, maar wel een boel humor. Kortom, het pakt steeds anders uit: een hulpbehoevend lijf met vervangende lichamen er omheen.

Voor velen is de gedachte aan afhankelijk moeten zijn van de armen en benen van een ander, een absolute gruwel. Men gaat nog liever dood. Die mensen zouden een bezoek moeten brengen aan de Franse film Intouchables. De kaskraker van dit moment. In Frankrijk heeft 1 op de 3 Fransen de film al bekeken. Dat is verbazingwekkend veel, vooral als je bedenkt dat het een onderwerp betreft dat velen angst aanjaagt: lichamelijke afhankelijkheid.
Intouchables is de verfilming van het levensverhaal van Philippe Pozzo di Borgo, die dit verhaal eerder opschreef in het boek ‘Le second souffle’. Het feit dat de film is gebaseerd op waargebeurde feiten maakt hem extra indringend. 

Philippe is een multi-miljonair die door een paragliding ongeval tot aan zijn nek verlamd is geraakt. Voor zijn persoonlijke verzorging zoekt hij een vervangend lichaam. Een paar sterke armen en benen die voor hem kunnen doen wat hij niet kan. Maar –zo blijkt later- hij zoekt daarbij vooral iemand die geen medelijden met hem heeft. Iemand die door zijn handicap heen kan zien en die hem als mens en niet als verlamde benadert. Driss, een zwarte jongen uit de Franse banlieues, is voor die rol uitermate geschikt. Zelf ook veroordeeld tot een leven tussen vooroordelen en onbegrip, ontstaat er tussen deze twee ‘onaanraakbaren’ een bruisende, vlammende chemie die je als kijker tot in je tenen raakt. Bovendien kan ik me de laatste film niet heugen waarbij ik zo vreselijk heb moeten lachen.

Maar het mooist van alles is dat Intouchables een film is die breekt met alle stereotypen rond handicap en afhankelijkheid, zonder hierbij teveel in romantisering te vervallen. De film toont zowel het zoet als het zuur van de afhankelijkheid van een ander, maar op zo’n open, hartverwarmende manier, dat het in ieder geval elk oordeel gebaseerd op angst, doet smelten. Wat overblijft is het besef dat elke leefomstandigheid vooral gekleurd wordt door wat je er met elkaar van maakt. Intouchables gaat daarom vooral over vriendschap en liefde, meer nog dan over handicap of huidskleur. Het lijkt het echte leven wel. 


donderdag 5 april 2012

Sterven om te leven

The true master of death does not seek to run away from death...(JK Rowling)
Pasen. Het is een feest dat mij altijd mateloos geboeid heeft. Het beeld van Christus die vrijwillig zijn dood aanvaardt om vervolgens weer op te staan, bergt een geheim in zich dat ik in de loop van mijn leven heb trachten te ontrafelen. Inmiddels meen ik er iets van te snappen, maar het is het soort snappen dat moeilijk is vast te houden. Het ene moment 'heb' je het antwoord beet, het volgende moment lijkt het zich toch weer aan je bevattingsvermogen te onttrekken. Toch denk ik dat je dichter bij het mysterie komt als je begrijpt dat het motief van Pasen in essentie over de menselijke vrijheid gaat. Deze vrijheid heeft twee gezichten en niemand heeft dat mooier verbeeld dan JK Rowling in haar Harry Potter boeken.

In deze boeken is de jonge tovenaar Harry Potter ertoe voorbestemd om te strijden tegen de duistere tovenaar Voldemort die tracht onsterfelijk te worden en daarbij het gebruik van zwarte magie niet schuwt. Hij splijt zijn ziel in zeven delen, in de hoop dat hij daardoor altijd zal kunnen terugkeren uit de dood, maar in werkelijkheid blijkt hij nooit volledig te kunnen sterven. Hij is gedoemd om als half-wezen, te leven in een schijnbestaan, ergens tussen dood en leven in. Zijn angst voor de dood heeft geleid tot het daadwerkelijk moeten vrezen van de dood. Hij is gedoemd ten onder te gaan aan zijn verzet zelf.

De ouders van Harry Potter zijn door Voldemort gedood toen hij nog maar een jaar oud was. Voldemorts poging om ook Harry zelf te doden, wordt verijdeld door Harry’s moeder die zich voor hem werpt en in zijn plaats sterft. De vloek die voor Harry bedoeld is kaatst op Voldemort terug en laat –onbedoeld- een deel van diens ziel achter in Harry’s ziel. Het kwaad zit nu ook in hem. Gaandeweg de zeven boeken wordt steeds duidelijker dat er maar één weg is om Voldemort daadwerkelijk te bestrijden: alle zeven delen van zijn ziel moeten vernietigd worden en dat betekent dat Harry –als drager van een deel van Voldemorts ziel- zal moeten sterven. Hij zal zijn eigen dood moeten aanvaarden als hij het kwaad blijvend wil bestrijden.

Harry drinkt de beker helemaal leeg. Hij offert zichzelf vrijwillig op. Aanvaardt ten volle dat dit zijn bestemming is, al had hij duizendmaal liever iets anders gewild. En dan laat Rowling Potter alsnog zegevieren. Dankzij zijn vrijwillig offer, sterft slechts dat deel in zijn ziel dat Voldemort toebehoorde. Potter mag leven.

Jezus en Potter. Hun levens (historisch en literair) tonen de kracht van de transformatie die kan plaatsvinden als het lot wordt opgenomen in plaats van bevochten. Als de mens zijn vrijheid gebruikt om tot aanvaarding te komen. Deze manier van vrijheidsbeoefening wordt steeds minder begrepen, omdat het vrijheidsbegrip is gereduceerd tot waarden als onafhankelijkheid, autonomie en zelfbeschikking. Deze vorm van vrijheid bestaat vooral bij gratie van de afwezigheid van grenzen in de vorm wereldse belemmeringen, ethische restricties of een onafwendbaar lot. En mochten deze zich voordoen dan worden ze bevochten in plaats van aanvaard. Voldemort is de verbeelding van deze vrijheid. Hij wil zich niet aan lot of gebod onderwerpen en gebruikt zonder aarzelen alle kennis –goed of kwaad- die hem zal helpen bij het overwinnen van de grenzen die hem de volledige heerschappij over dood en leven beletten.

Hoe anders is Harry Potter die uiteindelijk kiest voor wat hij niet wil. Zijn oriëntatie ligt niet op zijn eigen genot of macht, maar op wat goed en nodig is. En door dit vermogen om de ethische restricties en natuurlijke grenzen van het bestaan te aanvaarden, opent zich een weg naar een vrijheid die van een geheel andere orde is dat de uiterlijke vrijheid, die paradoxaal genoeg pas beleefd kan worden als er aan heel veel voorwaarden is voldaan. Deze innerlijke vrijheid kan overal, in elke omstandigheid, ervaren worden. Niet de bestrijding maar de overgave aan dat wat onafwendbaar is, maakt de mens ten diepste vrij.
Dat is volgens mij wat Jezus voordeed. De aanvaarding van het verraad, de verlating, de bespotting, de verloochening en de dood, leidden uiteindelijk tot de opstanding. Pasen vertelt het verhaal over het zelfgekozen offer dat de mens vrij maakt.