zondag 3 mei 2015

Te klein 2

Foto bij het artikel in De Stentor
Het was boven verwachting. De massale reacties op het blog over Roos, een stoere meid van 14 met Achondroplasie (dwerggroei), die fysiek te klein werd bevonden voor een fotostrip in Meiden Magazine, een glossy voor jonge meisjes. Mijn mailbox stroomde over met verzoeken om de strip te mogen zien, Facebook explodeerde van verontwaardiging, mijn lezersstatistieken schoten omhoog, en –ziehier de kracht van massale verontwaardiging- de hoofdredactrice van het Meiden Magazine en de uitgever van Zpress Young, gingen het gesprek met mij aan.

Ondertussen gaf Roos een interview aan De Stentor, en verwerkte theatergroep The Young Ones, waar Roos deel van uitmaakt, het verhaal in een voorstelling die drie avonden lang was uitverkocht. Titel: Sometimes it's hard to be a woman. Over de belachelijke eisen waar meiden tegenwoordig aan moeten voldoen willen ze goed genoeg bevonden worden. En bereikte mij het verheugende nieuws dat de fotostrip met Roos in de Tina geplaatst zal worden. En dan... Dan komt op een rare manier de stilte na de storm. De leegte na een bruisend avontuur. Want hoe prachtig ook dat door gezamenlijke inspanning iets akeligs mede in iets bijzonders getransformeerd is, er blijft ook iets hangen. Iets waarvan ik weet dat het onveranderd is.

Noem het naïef, maar ik had pas in een laat stadium door dat Meiden Magazine een puur commercieel blad is dat drijft op adverteerders van schoonheidsproducten. Anti-puistjes-crème, make-up, kleding, alles wordt te koop aangeboden in reportage-achtige advertenties. Het is dan ook onvoorstelbaar dat Robert van Ginhoven, de uitgever van het blad, de missie van Meiden als volgt verwoordt: “Het is onze intentie om een leuk blad te maken voor jonge meiden, zonder ze te willen sturen of een educatief/maatschappelijk verantwoorde boodschap mee te willen geven. Het is onze mening dat kinderen in de huidige maatschappij al veel te veel in aanraking komen met zware, maatschappelijke onderwerpen, en willen ze juist een stukje ontspanning bieden, zonder die extra (sociale) druk.”

Dat Meiden Magazine "ontspanning" wil bieden staat in schril contrast met de werkelijkheid. De lezeresjes van dit blad worden  aangesproken als waren zij volwassen consumenten. Zij worden helemaal niet verlost van enige sociale druk. Integendeel. Meiden  serveert die druk op gouden dienbladen uit. Zij bieden het frame aan dat dicteert aan welke standaarden je moet voldoen om hip, cool, en gewild te zijn. Zij zijn degenen die meisjes al heel vroeg (Meiden is bedoeld voor meisjes vanaf 9 jaar) een zeer eenzijdig vrouwbeeld meegeven en ook nog eens schaamteloos de producten aanbieden die dit zouden moeten verwezenlijken. Natuurlijk past een meisje als Roos hier niet in. Zij is de dolksteek voor het hele commerciële concept waarop dit blad drijft. Variëteit tonen in lichamen, persoonlijkheden en kledingstijlen, helpt de eenheidsworst om zeep die zo lekker verkoopt als je erin slaagt mensen te laten geloven dat roem, glamour, succes en seksueel aantrekkelijk zijn, voorbehouden is aan hen die er zus en zo uitzien en zich zus en zo gedragen.

En dat is de holheid waarmee ik blijf zitten. Want hoe gaat dit veranderen als de mensen die dit blad maken en de bedrijven die hen die mogelijkheid bieden, zich niet realiseren wat de invloed van beeldvorming op jonge kinderen is, of zich daar domweg niets van aantrekken. Zoals Marloes Wierckx, de hoofdredactrice van Meiden die in De Stentor zonder schroom zegt: "Ik wil wel stellen dat we geen maatschappelijk verantwoord tijdschrift zijn"...

De mensen die dit blad maken zijn heus geen slechte mensen, maar zij hebben wel flink last van cognitieve dissonantie: Je weet eigenlijk best dat wat je doet niet deugt, maar je hebt andere, botsende belangen. Dus kom je in een spagaat en ga je liegen. Je maakt een mooi verhaal over wat jouw blad aan meisjes biedt, terwijl je die meisjes feitelijk misbruikt voor een commercieel doel. Je meent echt dat “Meiden nooit discrimineert en voor alle meisjes toegankelijk is en dus niemand uitsluit.” (Van Ginhoven), terwijl je hele commerciële concept drijft op eenzijdige schoonheidsidealen en meisjes als Roos daarom nooit mee zullen mogen doen.

Zolang je dit niet erkent verandert er niks. En helaas, fouten worden moeilijker om te erkennen als deze erkenning vraagt om een gedragsverandering die grote (financiële) consequenties heeft.

donderdag 16 april 2015

Niet mijn DNA

DNA Test voor alle zwangere vrouwen nabij, kopt Trouw op paaszaterdag (4/4/2015)
De test waarnaar verwezen wordt is de NIP-test die uitsluitsel kan geven of een foetus het syndroom van Down heeft en de Gezondheidsraad gaat beslissen of hij aan alle zwangeren aangeboden gaat worden. Ik moest onmiddellijk denken aan de film Gattaca (1997). die ik recent weer eens zag. De film schetst een toekomst waar niet alleen getest zal worden op Down, maar waar doelbewust wordt aangestuurd op genetische verbetering van foetussen. Een toekomst die niet filmgebonden zal blijven, want de geest van de tijd waait duidelijk in de richting van steeds minder tolerantie voor anders-lijvigen, anders presterenden, en anders-gedragenden. Wat eigenlijk ironisch is. We leven in een zeer individualistisch georiënteerd tijdgewricht, maar we verdragen steeds minder individualiteit, steeds minder verschil.

Maar die film. Hoofdpersoon is Vincent Hawke. Hij leeft in een wereld die door prenatale genetische manipulatie in twee delen uiteen is gevallen. Eén deel van de mensheid is op de ouderwetse manier geboren, het andere deel is genetisch verbeterd. Hawke behoort tot de eerste groep, hij is een zogeheten invalid; een niet verbeterde. Zijn DNA profiel – zeer bepalend voor de latere school-en beroepskeuze - heeft aangetoond dat hij grote kans heeft op het ontwikkelen van een hartkwaal en dat zijn levensverwachting daarom niet meer dan 30.2 jaar bedraagt. Hawkes droom om astronaut te worden is daarmee kansloos geworden. Want hoewel genetische discriminatie bij wet officieel verboden is, is de praktijk in Hawkes wereld anders. Daar bepaalt iemands DNA profiel wel degelijk zijn mogelijkheden en onmogelijkheden. En zo ontstaat er in deze door genen beheerste wereld een klassenmaatschappij van valids, wij zouden ze wellicht high-potentials noemen, en invalids voor wie de wereld van hogere opleidingen en functies hermetisch gesloten blijft.

Het interessante van Gattaca is dat het draait om de vraag wat in een mensenleven de dienst uitmaakt. Wat zijn de factoren die uiteindelijk onze identiteit, onze mogelijkheden en onmogelijkheden bepalen? Zijn wij onze genen (zoals in Hawkes wereld wordt aangenomen) onze hersenen (een idee dat in onze eigen wereld stevig heeft postgevat) is onze sociale omgeving dominant, bepalen nature nature en nurture samen wie we zijn of - en dat idee lijkt steeds meer te verdwijnen - bestaat er wellicht zoiets als een vrij ik? Een kiezende geest? Een bewustzijn dat meer is en verder reikt dan nature en nurture samen?

Hawke baant zich uiteindelijk tegen de klippen op een weg naar de astronautenopleiding in het ruimtevaartcentrum Gattaca. De middelen daartoe verkrijgt hij via Jerome; een supergetalenteerde valid die hem zijn identiteit verkoopt. Jerome verschaft Hawke urine, bloed, haar en andere lichaamsmonsters, waardoor Hawkes eigen DNA profiel verborgen kan blijven. Het verrassende aan deze gang van zaken is dat de veelbelovende Jerome, ondanks zijn zorgvuldig uitgeselecteerde DNA, zijn toekomst als supertalent niet waar heeft kunnen maken. Door een auto-ongeluk heeft hij een dwarslaesie opgelopen. Zijn van tevoren bepaalde grandioze toekomst, zogenaamd verzekerd door DNA technologie, is verbrijzeld onder autowielen. “There is no gene for fate” (Het lot onttrekt zich aan elk gen), placht Hawke te zeggen, en daarmee is de eerste slag toegebracht aan het maakbaarheidsgeloof dat zijn wereld domineert.

De tweede slag brengt Hawke zelf toe door zich niet te vereenzelvigen met zijn DNA (Ik ben niet mijn DNA), noch met de toekomst die daar noodgedwongen uit zou moeten voortkomen. Hawke is het zegevierende IK. De vrije mens wiens identiteit weliswaar gevormd wordt door de omstandigheden waarin hij opgroeit, en wiens lijf weliswaar bepaalde kenmerken heeft waar hij het mee moet doen, maar die daar desondanks niet wezenlijk door wordt bepaald. Zijn zijn, zijn ik, zijn wezen, is onbepaald. Is vrij. Een vrijheid die zich in alles kan manifesteren maar nooit samenvalt met de manifestatie zelf.

Gattaca is een film die de vrije mens laat zegevieren boven de idee van predestinatie door lijf, lot, en andere omstandigheden. Een verademing. Ik hoop dat de Gezondheidsraad de film eens bekijkt voor opnieuw een stap te zetten op de weg die onvermijdelijk leidt naar steeds meer testen, op steeds meer ziektes en uiteindelijk naar de keus voor een bepaald DNA profiel. Of die weg echter ook onvermijdelijk leidt naar een verbeterde mens en een verbeterde wereld? Ik durf het meer dan te betwijfelen.

woensdag 1 april 2015

Te klein

Je bent een meid op je toekomst voorbereid. Veertien en vastberaden. Je kan keigoed acteren en je wordt gevraagd voor een rol in een fotoshoot van Meiden, een glossy voor jonge meiden tussen de 10 en 15 jaar, waarin je alles kunt lezen over “mode, beauty, jezelf, BFF (best friends for ever), celebs en natuurlijk de allerleukste hunks.” Je gaat op pad met een fotograaf en regisseur en bent beretrots over het eindresultaat.

In de wereld van Meiden gaat alles over cool. Over hip en trendy. Je dacht tot voor kort dat dat ook over jou ging, dat de wereld van Meiden een spiegel was voor alle meiden, maar je hebt het mis. De redactie van Meiden ziet het bij nader inzien toch niet zitten met jou. Je bent namelijk te klein. Te dwerg. Te lilliputter. Want ook al zijn dat tegenwoordig verboden woorden, de realiteit erachter bestaat nog gewoon, in ieder geval wel in de wereld van het Meiden Magazine. 

Meiden vindt dat de strip teveel benadrukt dat je klein bent. De vraag of dat waar is kunnen we in het midden laten, want zelfs als dat het geval zou zijn, is de vraag wat daar erg aan is? In Meiden wordt immers van alles benadrukt, vooral hoe je eruit ziet. Maar kennelijk is dat alleen geoorloofd als het voldoet aan een bepaalde standaard.

De trieste waarheid is natuurlijk dat er niets mis is met jou, maar met deze wereld. Een wereld die ervoor kiest om tieners enkel idyllische plaatjes voor te schotelen van de juiste lijven in de juiste maten. Je mag deze wereld betreden als je niet te groot, niet te klein, niet te blond, niet te zwart, niet te krullerig, niet te dik, niet te mager, niet teveel jezelf bent. Want de wereld van Meiden viert de gelijkheid, de middelmatigheid, de norm. Dat je “jezelf tegenkomt” in dit blad, zoals de redactie beweert, is dus niet waar. Je komt een voorgeselecteerde werkelijkheid tegen. Een gepolijste buitenkant.

Ik zou het er verzuchtend bij laten als ik niet zou vinden dat de mensen die deze bladen maken en uitgeven een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben. Ze beïnvloeden namelijk een groep die uitermate gevoelig voor beeldvorming is. Juist tieners, die bezig zijn met de ontwikkeling van hun eigen identiteit, zijn erbij gebaat om gevoed te worden met diverse en vooral met ware beelden. Beelden die mensen tonen zoals ze zijn, in al hun variëteit. Gebeurt dat niet dan liggen minderwaardigheidsgevoelens, en allerlei nare complexen die daar uit voort kunnen vloeien, op de loer. Het is vreselijk triest dat de mensen die betrokken zijn bij de tot totstandkoming van een blad voor tieners, de macht van het beeld niet gebruiken om de verschillen tussen mensen te vieren en te benadrukken, maar kiezen voor gelijkvormigheid. Eenheidsworst.

Lieve Roos, spetterend klein model van groot formaat, ga je niet vergeten een melding te doen bij het meldcentrum voor discriminatie? Het zal er niet toe leiden dat Meiden de strip plaatst, daarvoor is het nodig dat redactie en uitgever gaan inzien dat hun bladformule niet deugt, maar melding maken is een belangrijke daad voor jou. Het drukt namelijk uit dat je beseft dat er niks mis is met jou, maar met degenen die vinden dat kleine mensen niet passen in coole, hippe, hunkerige, idyllische fotostrips voor tienermeiden. 

Dit verhaal is afkomstig van de maakster van de strip. Zij heeft inmiddels de samenwerking met Meiden beëindigd. Wie de strip van Roos alsnog wil zien kan mij mailen (mjcalk@dds.nl) dan stuur ik ‘m op.

zaterdag 28 februari 2015

Oordelen

Ik herinner me mijn tante als fel en uitdagend. Met altijd een weerwoord en een scherpe tong vol humor. Haar rode haren en haar lijf vol sproeten onderstreepten haar temperament en levenslust. In mijn jeugd bracht ik altijd een week in haar gezin door. Dan at ik aardappelen gebakken in jusvet. Iets lekkerders bestond er niet. Thuis vroeg ik mijn moeder de aardappelen ook zo te bakken, maar dat lukte natuurlijk nooit want het was geen kwestie van receptuur; ik at mijn tante, haar sfeer en zijn, en dat smaakte zo heerlijk.

Nu is mijn tante niet alleen in haar felheid getemd, ze weet ook niet meer hoe ze aardappelen moet bakken, of dat je aardappelen in je mond moet stoppen. Ze weet niet meer van vorken en messen of van tafel dekken. Alle routine is uit haar verdwenen. Een gesprek met haar is niet meer mogelijk. Van elke vraag raakt ze in de war. Ze is samengevallen met het eeuwige nu, waarin zelfs geen angst meer voor vergeten heerst.

Wij omstanders kennen de naam voor wat haar treft. Voor haar heeft die naam geen betekenis, maar ons slaat hij onmiddellijk in de boeien. Hij doordringt het denken met negatieve en angstige beelden waarin ook de vraag naar de waarde van zo’n soort leven onafwendbaar op de voorgrond treedt. Ik denk dat dat onvermijdelijk is, maar de lading ervan verandert volkomen als deze vraag de weg naar overwegingen rond iemands levenseinde opent. Dan wordt het innerlijk zoeken naar betekenisgeving tot het vellen van een oordeel over de waarde van iemands leven. En dan kan ineens de vraag klinken of iemand eigenlijk niet beter dood zou kunnen zijn?[1]

Voelt u nog dat er met deze vraag een grens overschreden wordt? Of is deze grens al zo vervaagd dat hij niet meer voelbaar is? Een scherf uit het verleden, uit tijden dat sterven nog iets was dat niet in de handen van mensen was. En gaan we iets verliezen als we deze grens laten gaan? Als we onszelf toestaan bepaald soort leven onwaardig om te leven verklaren.[2]

In mij is verzet. Verzet tegen het beoordelen van welk leven ook, al sluit ik heus mijn ogen niet voor de pijn die mijn tante en haar gezin treft. Ook ik raak tot in mijn botten geschokt als ik zie wat er met haar gebeurt. Maar ik weet ook hoe anderen naar mij kijken. Hoe mijn eigen lichamelijke verval begeleid wordt door oordelen waar ik mij niet in herken. Hoe er lijden op geprojecteerd wordt dat ik niet als mijn leed ervaar.

Zou het kunnen dat mijn tante, in al haar aftakeling, toch levenszin kan ervaren? En dat haar leven, ondanks dat het zo geheel anders is dan voorheen, nog steeds waarde heeft? Bijvoorbeeld omdat er nog steeds de mogelijkheid tot liefde is, wilsbekwaam of niet, lichamelijk intact of niet. Of omdat ook voor haar de zon elke dag opkomt, en de maan haar nachten blijft verlichten. Of omdat elke dag – hoe moeilijk ook – zijn eigen intrinsieke waarde heeft?

Ik weet het niet. Echt niet. Ik weet alleen: er is verzet in mij om andermans leven op zijn waarde te beoordelen. Misschien wel juist omdat ik niet weet op welke gronden ik dat zou moeten doen.


[1] Gerbert van Loenen, publicist en tot juli 2014 adjunct-hoofdredacteur bij Trouw, schreef over dit onderwerp twee boeken die de moeite van het lezen waard zijn. Zijn eerste boek Hij had beter dood kunnen zijn (2009), is gebaseerd op eigen ervaringen. Van Loenen zorgde 10 jaar voor zijn partner die zeer ernstig hersenletsel oploopt na een operatie. In Lof der onvolmaaktheid (2015) pleit Van Loenen voor een breder perspectief op lijden in het euthanasiedebat.
[2] Op dit moment is het nog niet zover zijn dat de euthanasiewet ingrijpen bij wilsonbekwamen mogelijk maakt, tenzij er een wilsverklaring is. Maar gezien de uitbreiding van situaties waarin euthanasie wordt goedgekeurd is het slechts een kwestie van tijd voor dat ook dit vraagstuk ter tafel zal komen.

woensdag 18 februari 2015

De euthanasieparadox

Soms hoor je verhalen die blijven malen. Zo ook dit verhaal[1]. Van een psychiater die werkt voor de Levenseindekliniek. De kliniek die eigenlijk een ambulant team is en die mensen met een euthanasieverzoek helpt te sterven als de eigen arts dat niet ziet zitten.

Het verhaal gaat zo. Iemand lijdt ondraaglijk en uitzichtloos door een psychiatrische aandoening. Dat is de grondslag waarop de psychiater besluit om mee te werken aan het aan haar gedane doodsverzoek. En juist door die toezegging gaan er dingen schuiven rondom de cliënt. Relaties die langdurig en onomkeerbaar ontwricht leken, blijken ineens toch bevattelijk voor verandering. En het lijden van de cliënt blijkt door die contextverandering ineens ook niet meer zo onomkeerbaar en uitzichtloos. Gevolg: de cliënt ziet af van het verzoek tot euthanasie. Er is weer reden om te willen leven.

Interpretatie 1. Wat een geweldig nieuws. Dit onderstreept het belang om de doodswens van de cliënt serieus te nemen. Want juist door deze erkenning is er beweging ontstaan die anders was uitgebleven.

Interpretatie 2. Wat een akelig nieuws. Deze psychiater was bereid iemand te doden omdat zij ervan overtuigd was dat het lijden onomkeerbaar en uitzichtloos was en nu blijkt dit een verkeerde conclusie.

Zie hier de euthanasieparadox. De bereidheid tot doden kan de wil gedood te worden doen verdwijnen. Maar door het verdwijnen van de doodswens, komt de legitimiteit van de bereidheid te doden onder druk te staan. Immers die legitimiteit moet gegrond zijn in de overtuiging dat het lijden onomkeerbaar is en uitzichtloos, en dat er geen redelijke andere behandelalternatieven aanwezig zijn. Wat ironischerwijze ontkracht wordt door het euthanasie-aanbod zelf.

De euthanasie-praktijk is weerbarstiger dan de wet waarin goed en kwaad in zwart-wit regels zijn gebeiteld. Waarin moreel handelen is teruggebracht tot het volgen van een protocol. Dit verhaal laat zien dat het ingewikkelder in elkaar steekt en voor mij is het aanleiding opnieuw te voelen hoeveel verantwoordelijkheid de wet legt bij de artsen in Nederland die het werk van het doden moeten uitvoeren. Ik zou de psychiater in kwestie toewensen dat zij haar diep menselijke betrokkenheid bij de stervenswil van anderen blijft leven, maar afziet van het uitvoeren ervan. In plaats daarvan kan zij mensen wijzen op de humane alternatieven die er bestaan om je zelf te kunnen doden zonder anderen verantwoordelijk te maken voor jouw sterven. In dat geval wordt de stervenswens ook serieus genomen, met hopelijk dezelfde positieve werking als hierboven beschreven. Maar zonder de afschuwelijke consequentie die het paradoxale karakter van het toekennen van een euthanasieverzoek kennelijk kan hebben: dat blijkt dat er toch licht was aan het einde van de tunnel.

[1]
Dit verhaal is afkomstig van Paulan Stärcke, psychiater bij GGZ inGeest en werkzaam bij de Levenseindekliniek. Zij was een van de deelnemers aan het socratisch gesprek rond het levenseinde dat woensdag 11 februari 2015 gehouden werd in de Rode Hoed in Amsterdam.

zaterdag 31 januari 2015

Niet-reanimerenpenning

Voor mijn moeder is het een duidelijk zaak. Ze is 74 jaar en mocht er iets met haar gebeuren dan wil ze niet gereanimeerd worden. Ik sta volledig achter haar beslissing. De dood is onontkoombaar en de risico’s op nadelige gevolgen van een reanimatie nemen toe bij het stijgen der jaren. Het getuigt dus van gezond verstand - iets dat mijn moeder in ruime mate bezit - om nu maar eens een niet-reanimerenpenning aan te schaffen. Een schriftelijke verklaring in je dressoir thuis is namelijk mooi, maar je hebt er niks aan als je onderweg bent. 

Ik kruip dus achter mijn computer om voor haar uit te zoeken waar je zo’n ding kan verkrijgen, want zoals bij zoveel mensen van haar generatie heeft mijn moeder wel een laptop, maar ontbreekt het toch aan een warme band tussen die twee... Tot mijn stomme verbazing blijkt de penning alleen verkrijgbaar bij de NVVE. De Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde, voorheen de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie. En wil je bij hen de penning aanschaffen, dan moet je lid zijn of worden.

Nu zijn er best dingen in het leven die ik tegen mijn zin wil doen, maar lid worden van de NVVE behoort daar niet toe. Al jaren stoor ik mij aan de propagandistische wijze waarop de NVVE zich beweegt in de media en euthanasie neerzet als een individueel recht (wat het wettelijk gezien niet is) en de enige weg tot een waardige dood. Bovendien heb ik ernstige bezwaren tegen het steeds verder willen oprekken van de grenzen van de huidige wet. Lid worden zou dus een direct verraad betekenen aan al mijn overtuigingen op dit vlak en dat geldt gegarandeerd voor meer mensen. Mijn schoonmoeder bijvoorbeeld. Zij is 84 en wil wel gereanimeerd worden, maar bij doorvragen van mijn kant over de redenen daarvoor, valt ze stil. Ik heb een vermoeden dat haar keuze vooral is ingegeven door christelijke overtuigingen. Maar mocht het middels gesprekken en goede informatie voor haar een optie worden om toch voor niet-reanimeren te kiezen, dan weet ik wel zeker dat de weg tot de penning via de NVVE, voor haar niet te nemen zal zijn.

En zo hebben we hier dus de bizarre situatie dat de burgers van Nederland steeds vaker worden aangespoord goed na te denken over wat zij rond hun levenseinde wel en niet willen, maar dat iets simpels als een niet-reanimatie-penning alleen verkrijgbaar is bij een vereniging wiens opvattingen over de dood allesbehalve neutraal en voor iedereen toegankelijk zijn. Het lijkt mij dan ook hoog tijd dat de niet-reanimerenpenning gewoon via de huisarts te verkrijgen is. Zoiets belangrijks als het voeren van regie over de eigen dood moet losgekoppeld worden van een standpunt voor of tegen euthanasie.

woensdag 17 december 2014

Afscheid van Facebook

Afscheid van Facebook: Open Brief

Het was gewoon te mooi om waar te zijn. Toen Facebook voor het eerst als gratis dienst werd aangeboden weet ik nog dat wij als gebruikers wantrouwig waren. Immers, niets voor niets in deze wereld. Maar toen het bedrijf jarenlang geen kosten bij haar directe gebruikers in rekening bracht, werd ons wantrouwen gesust. Maar nu is het dan zover. Het is payback time. Net nu we allemaal lekker gewend zijn aan een leven met Facebook, slaat het bedrijf zijn slag. Vanaf 1 januari hanteert Facebook nieuwe gebruiksvoorwaarden. Het bedrijf mag vanaf die tijd je privé-gegevens voor commerciële doeleinden gebruiken. Wie zijn account niet opzegt en blijft facebooken, gaat automatisch akkoord met deze nieuwe voorwaarden.

Je zou denken, ze zijn gek geworden daar in Amerika. Want kom op, wie geeft een onbekende ander nu toestemming om zelf te mogen beslissen wat hij doet met privédetails uit jouw leven? Dat doet geen zinnig denkend mens, toch? Facebook kan wel inpakken, dit is het einde van de machtspositie die zij bekleden... Maar helaas. Ik denk dat de werkelijkheid anders is. Mijn Facebookvrienden lijken zich helemaal niet op te maken voor massaal vertrek. Ik denk dat de meesten menen dat het wel los zal lopen. Of dat ze misbruik tegen kunnen houden door goed te overwegen wat ze wel en niet posten. Zelf herken ik die gedachtegangen ook.

Maar door zo te denken bagatelliseren we wat er werkelijk gaande is. Door toe te staan dat Facebook deze weg inslaat, betreden we een pad dat absoluut nieuw is in de geschiedenis: Privélevens werden vroeger enkel geschonden onder druk van oorlogen of onder dwang van een totalitaire regime. Dit keer echter leveren we onszelf vrijwillig in. Er is geen druk nodig. We staan eigenmachtig toe dat er langzaam aan steeds meer van ons leven wordt waargenomen en gebruikt door bedrijven die onze mobiel traceren, ons appverkeer volgen, onze vrienden kennen, ons (like en koop)gedrag analyseren en dat alles vervolgens tot grote winst vermarkten. Niet de staat controleert ons, het is de economie die tegenwoordig onze grootste Big Brother angst zou moeten oproepen. Onder het mom van “dienstverbetering” worden er steeds meer privacygrenzen overschreden. En al zouden we zelf – door overwogen Facebooken - buiten schot kunnen blijven voor misbruik op dit vlak, door akkoord te gaan met deze nieuwe voorwaarden, geven we Facebook indirect toestemming om de gegevens van anderen – wellicht makkelijkere prooien dan wijzelf – in handen te krijgen. Willen we dat echt?

Waarom zouden we überhaupt toestaan dat privédata verhandeld wordt? Om honderdduizenden niet goede redenen. Redenen die ik ook allemaal zelf heb. Het is leuk, ik kan er mijn blog mee onder de aandacht brengen, ik kan mensen volgen die ik anders nooit meer zou zien, en ook: Het is moeilijk om iets los te laten dat deel is geworden van je leven. Dus verzin ook ik honderdduizend smoesjes om het niet te hoeven doen. Om niet echt wakker te hoeven worden voor wat er gaande is: De langzame overname door bedrijven van ons privédomein. De stille revolutie van de macht van het geld boven alles.

Laat payback time wake-up time worden. Als we Facebook massaal verlaten ontstaat er ruimte voor andere gezondere alternatieven. Bijvoorbeeld voor het IJslandse Seen (https://seen.is) Voor het einde van het jaar ben ik in ieder geval weg op Facebook.

Dank voor alles wat jullie deelden en wat ik mocht delen met jullie! En wellicht tot Seen?

Je account verwijderen kan via https://www.facebook.com/help/delete_account  Maar let op! Vervolgens moet je twee weken lang niet inloggen op Facebook want als je dat doet wordt je account automatisch weer ingeschakeld.

Meer horen over de gevolgen per 1 januari: http://www.radio1.nl/item/246346-Facebook%20mag%20vanaf%201%20januari%20prive-

donderdag 27 november 2014

Moreel verantwoorde middelvinger

De Sponti kabouter van Ottmar Hörl
We hebben het heerlijk, dochter (8) en ik. We hebben net de negentiende eeuw doorkruist en zijn nu op weg naar koffie of limonade met taart. Daarna zullen we nog even de Middeleeuwen doen want dochter krijgt er geen genoeg van te kijken naar afbeeldingen van Jezus aan het kruis. Gelukkig zijn er daar heel veel van in het Rijksmuseum. 

Dus zoeven we in opperbeste stemming door de ontvangsthal. Zij staand achterop mijn rolstoel want de taart lokt en rijden gaat sneller dan lopen. Maar helaas, een vlotte rit zit er niet in want de weg wordt ons versperd door een blauw pak met blond haar en een oortje in. We kijken belangstellend op, al knort de maag en werken de speekselklieren. Ja? Het pak begint te praten. Dat het niet de bedoeling is dat dochter achter op mijn rolstoel staat. Dat dat gevaar oplevert voor de veiligheid. Zowel voor ons zelf, als voor de andere bezoekers. Dat hij snapt dat dat lastig is, maar dat het nu eenmaal beleid is...

Ik ben even met stomheid geslagen want ik kan me niet herinneren dat er, in al die tijd dat we ons zo verplaatsen, ooit iemand is geweest die ons aansprak. Maar ik herstel me snel en ga het gevecht aan. Helaas niet naar tevredenheid, want al benoem ik ‘s mans regelzucht en de zinloosheid van dit soort regels, ik – slappeling - laat dochter toch afstappen, waardoor ik vervolgens de rest van de middag bezig ben de koelbloedige reactie te bedenken die ik eigenlijk had moeten geven...

Uiteindelijk stoot mijn fantasie een droomscenario uit waarin het pak ons opnieuw aanspreekt en ik onmiddellijk vriendelijke verbazing veins over de vooruitziende blik van het Rijksmuseum. Ik zeg keurig dat ik het werkelijk heel bijzonder vind dat het Rijks de moeite heeft genomen om beleid te maken speciaal voor bezoekers in een rolstoel met kind achterop! En dat ik enorm graag het rapport zou willen zien waarin de specifieke risicofactoren worden geanalyseerd die leiden tot de conclusie dat onze wijze van verplaatsen voor veiligheidsproblemen zorgt. Want ik ben een mens dat graag wil leren.

En als de man dan met zijn mond vol tanden staat, volledig uitgeschakeld door mijn extreme adremheid, roep ik uit: “Hou je goed vast Imma!!”, waarop ik extra hard wegknal voor een triomferend rondje door de grote hal. En du moment dat we - als spectaculaire afsluiting - rakelings langs het pak heenscheuren zou ik Imma zeggen haar middelvinger op te steken. Want al vind ik een kind met goede manieren en respect belangrijk, nog veel belangrijker vind ik het dat ze leert dat je dwaze mensen, met dwaze regels, nooit blindelings moet volgen. Die bedien je stevig van repliek. Desnoods door ze een moreel verantwoorde middelvinger te geven.